De koeken van Weyerman

'De koek-kraam' uit Kermis-tafreeltjes, in geëtste kunstplaatjes (3e dr.), van C.F. Bendorp

‘De koek-kraam’ uit Kermis-tafreeltjes, in geëtste kunstplaatjes (3e dr.), van C.F. Bendorp

donderdag 8 januari 2015 – Gisteren werd Bilderdijk geciteerd over de Kolkse koek, een Amsterdamse specialiteit waarin ook Focquenbroch ooit zijn tanden moet hebben gezet. Bilderdijk noemde die koek in één adem met de Fonteinkoek, een bijzondere koek uit Schoonhoven.

Volgens het WNT betreft het ‘botergebak in den vorm van vierhoekige bladen, met saffraan bestrooid’ en de Navorscher schrijft over een soort janhagel met bijzondere kruiden. Maar de bakker die nog altijd het geheime recept zou hebben, noemt het een kruidkoek van tarwe- en roggebloem, honing, suiker, specerijen en zuidvruchten (bron). Genoeg voer dus voor culinaire historici. 

Net als Kolkse koeken waren ook fonteinkoeken eeuwenlang een begrip in Nederland (zie bijvoorbeeld de satirische en compromitterende ‘Verstaalde Lofkrans of de S[c]hoonhovense Fonteinkoek’ in de Keurdichten uit 1729). Ook Weyerman was met deze Schoonhovense koek bekend. Op de Grondvergadering 2014 werden we al op de koek gewezen dankzij een citaat uit Den Laplandschen Tovertrommel (6 augustus 1731):

Een vervloekte paling kreeg fluks de lucht van het aas, en van de wicghelroe, hapte greetiglyk den verborgen hoek in zyn hollen bek, en sleurde het leelyk hengelaartje, dat zyn dagelyks brood opzoekt in overspeelige vyvers, en in bevoorrechte huuwelyks slooten, van Monte Ceraso tot voor de Schoone hoven der zoetekoekbakkers.

De cursivering van Weyerman maakt overduidelijk dat hij hier op Schoonhoven als zoetekoekstad zinspeelt. Ook in 1737 is de koek (impliciet) in Weyermans werk te vinden. In Piet fopt Jan en Jan fopt Piet (p. 127) bericht Weyerman:

Niet langer geleden als voorleeden jaar, hield ik my eenige dagen op tot Schoonhoven, toen ‘er een gerucht ontstont dat ‘er een Staartstar wiert gezien, over welke zeldzaamheyt de inwooners en inboorelingen van die Hoofdstad der Zoetekoekbakkers zodaanig waaren aangedaan, dat zy by nacht en ontyde uyt bed sprongen, om dit wonderverschynsel te beschouwen.

Het ligt voor de hand te denken dat Weyerman pas in zijn Vianense periode met deze koeken kennis maakte, maar de koek is ook al te vinden in deel twee van de Echo des Weerelds, op pagina 163 (10 maart 1727):

Anderen, zegt hy, zeggen dat Filip bygenaamt den Goede, Hartog van Bourgonje, een innerlyke Gemeenschap van kontrabande Winkelwaaren had opgerecht met een schoone Brugsche Dame, een Vlaamsche Stad al ommers zo befaamt door haar jaarlyks Gewas van schoone Juffers, als de Stad van Schoonhoven wegens haar lekkere Fonteynkoek, als Antwerpen wegens haar konstryke Vrydagsmarkts Schilders, en als Breda befaamt is wegens haar ongekookte groene Bieren.

Het recept van de fonteinkoeken was van meet af aan geheim. Het zou rond 1655 ontwikkeld zijn door ene bakker Koster, die zijn bakkerij in de Fonteynsteeg had. Als concurrerende bakkers in Schoonhoven voor hun koeken adverteerden met de naam ‘fonteynkoecken’, kregen ze het onmiddellijk aan de stok met bakker Koster, die zijn bedenksel met hand en tand verdedigde. Het geheime bakprocédé werd via een testament aan Kosters’ nazaten overgedragen (bron).

Uiteindelijk moet het recept terechtgekomen zijn bij de 18e-eeuwse meesterbakker Kok. Dat moet Cornelis Kok zijn geweest. In het notarieel archief van Schoonhoven over de jaren 1725-1740 bevindt zich slechts één meesterbakker en dat was hij (notaris Jodocus van Lindt, 30-1-1738, en notaris Frederik Tieleman van Schelluynen, 11-5-1740). Bij diens nazaten – bakker Kok op de Haven in Schoonhoven – wordt het geheime recept nog altijd gekoesterd. — JF/RvV

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *