‘Sire, er is in dit land geen satire’

Omdat er geen markt voor is?

Kop van een sater, door Anthonie van den Bos (eind 18e eeuw)

Kop van een sater, door Anthonie van den Bos (eind 18e eeuw)

vrijdag 30 januari 2015 – Toen Niels Beugeling, de directeur van het Persmuseum, in het begin van het jaar gevraagd werd of er in Nederland satirische bladen als Charlie Hebdo waren, zei hij dat in ons land ‘geen sterke traditie van satirische tijdschriften’ bestond. Er is geen markt voor, verklaarde Beugeling, ‘ons land kent een relatief gemakkelijk en rustig klimaat’.

Zou het zo zijn?

Wat vandaag waar is, hoeft niet voor altijd waar te zijn.

Beugeling liet optekenen dat satirische tijdschriften populair waren in landen waar iets op het spel stond. In Nederland staat er dan niets op het spel?

De bewering van Beugeling is om te beginnen voor de achttiende en negentiende eeuw aantoonbaar onjuist: in die eeuwen aan satirische periodieken geen gebrek. Ook in de collectie van het Persmuseum niet. Voor de achttiende eeuw spreekt het jongste nummer van de Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman boekdelen van tegenspraak. Nop Maas heeft in 1998 in De Parelduiker een fraaie reeks satirische tijdschriften beschreven.

Het ontbreekt de satirische tijdschriften in Nederland in de achttiende en latere eeuwen vooral aan blijvend succes. Misschien moet de verklaring van de korte levensduur van de meeste satirische bladen in Nederland gezocht worden in de beperkte omvang van het lezerspubliek, de trouweloosheid van dat publiek en de kleinsteedsheid.

Charlie Hebdo bediende in Parijs een betrekkelijk kleine groep van vrijgevochten lezers.
Scherpzinnig en bitter was het commentaar van de Nederlandse tekenaar Willem, vaste medewerker van Charlie Hebdo; hij zei dat de moordpartij niet had plaats gevonden als al die mensen, die nu zeiden Charlie te zijn, een abonnement op het blad hadden gehad. Willem zag een relatie tussen de gemarginaliseerde positie van het blad en de kwetsbaarheid ervan.

Nederlanders blinken niet uit in trouw aan wat mooi, ontroerend of geestig is. Ja Hazes, maar is dat mooi, ontroerend of geestig? Zo is het onbegrijpelijk dat een aan Multatuli gewijd genootschap – ja, echt de allergeestigste, allerscherpste, veruit de beste schrijver die ooit in Nederland las en schreef – niet tienduizenden leden heeft. Voor Nederlanders moet trouw wel belastingvoordeel opleveren. De onverschilligheid van Nederlanders (en neerlandici en historici) wijst op karakterzwakte. Toch weer het vaderlands klimaat? De legendarische moerasdampen?

Laatste punt: de satiricus woont het best buiten of in een grote stad, incognito. Wie satire schrijft, tekent niet met zijn postcode. Laf? Beetje, maar vooral voorzichtig. Weyerman was langdurig een ‘moving target’: hij woonde ergens in Kralingen, ergens in Amsterdam, ergens in Breukelen, ergens nabij Abcoude. Vandaag in deze steeg, morgen een paar uur in een koffiehuis. Totdat het lot hem in Vianen ketende. De satiricus kan het best afzien van een vaste woon- en verblijfplaats. In de achttiende eeuw waren er steden en landstreken waar je aan de dagelijkse aandacht kon ontsnappen. In het kleine Nederland van vandaag kijken de buren over de schutting en vraagt de buurt zich af wat die merkwaardige man of vrouw toch uitvreet. Als hij of zij satire schrijft, lezen de buren weldra wantrouwend mee. Stenen door de ruiten! — PA

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *