Kunsthistorici over Jan Steen

Jan Steenvrijdag 6 februari 2015 – Vorige week dinsdag kwam er in het nieuws dat er wel eens een onbekende Jan Steen opgeduikeld zou kunnen zijn. Zou het?, dacht ik toen. Op de foto in de Volkskrant viel er weinig van te zeggen. Zoveel 17de-eeuwse schilders komen in aanmerking.

Bovendien weten we van de escapades van de hooggeleerde Ernst van de Wetering dat duiding van 17de-eeuwers erg lastig is. Vandaar dat hij met dubieuze argumenten een schilderij het ene jaar aan Rembrandt van Rijn kan toeschrijven en een paar jaar later dat weer herroepen. Zo kun je aan de gang blijven. Overigens zag ik op de tentoonstelling Emoties in Haarlem (tot 15 februari!) een Arent van Gelder die volgens mij een Rembrandt is. Dus werk aan de winkel voor Ernstje en consorten!

Terug naar de veronderstelde Jan Steen. In de ‘Brief van de Dag’ in de Volkskrant van vorige week vrijdag schreef een nazaat van Abraham Diepraam (1622-1670), dat zijn voorvader een zelfde type guitige genretaferelen schilderde op een zelfde type ovaaltje als de bedoelde lustige luitspeler. Dus deze Abraham Diepraam zou de schilder van dit doekje kunnen zijn. Uit plaatjes in kranten valt daar echt niets van op te maken.

Opmerkelijk vond ik wat deze Han Diepraam zei, ik citeer: ‘Zowel Arnold Houbraken als Jacob Weyerman, beiden kunsthistori in de 17de en de 18de eeuw, prezen Diepraams werk wel […]’.

Kunsthistoricus in die periode? Volgens mij is deze specifieke term eerst in de 19de eeuw bruikbaar. En Weyerman moge dan de kunstenaarsbiografieën van Houbraken aemulerend hebben geplagieerd, dat maakt hem zeker geen kunsthistoricus, als die term al niet veel te modern is. Weyerman was een geestig chroniqueur van zijn tijd en een fantasievolle anecdoticus. Bovendien schilderde hij aardige bloem- en fruitstillevens. Maar kunsthistoricus, kom nou. — HV

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *