Stoa in ballingschap

Vriendenalbums van de ‘Martelaars van Staat’ (1798)

Huis ten Boschmaandag 23 maart 2015 – In de nacht van zondag 21 op maandag 22 januari kondigde de eerste staatsgreep van 1798 zich onweerstaanbaar aan. Die nacht ontvingen de leden van de Nationale Vergadering de dringende uitnodiging om zich de ochtend te vervoegen op het Binnenhof.

De staatsgreep kreeg aanvankelijk weinig spectaculair vorm in een toespraak van Johan Midderigh, maar werd allengs serieuzer met het buitenspel zetten van een flink aantal parlementsleden, de begeleidende instructie Den Haag niet te verlaten en de daaropvolgende internering van een twintigtal in Huis ten Bosch.

Het was voor de gevangen parlementsleden onzeker wat het vervolg ging zijn. Maar intussen bezaten zij hun zielen in lijdzaamheid, schaakten zij en doodden de tijd met kinderspelletjes en kaartspel. Van de honger kwamen zij niet om: er werd gezorgd voor een ontbijt, een lunch, ‘tea’, een souper met ‘kaas en punch of wijn’.

Voor deze episode is hernieuwde aandacht gevraagd door Joris Oddens in een artikel in De Negentiende Eeuw (vierde nummer van jaargang 38 (2014)), onder de titel ‘Martelaars van Staat. Bataafs stoïcisme en de politieke gevangenschap op Huis ten Bosch in 1798’. In zijn artikel gaat het om de vriendenalbums die de gevangenen die dagen aanlegden. Een indrukwekkend aantal gevangenen hield er een album amicorum op na. Oddens richt zich bij de bestudering van elf van die alba op de vormen van stoïsch denken.

Op het eerste gezicht wekt de gedachte dat al die grote gevangen kerels het kaarten en de punch afwisselden met het schrijven van bemoedigende woorden in elkaars vriendenalbum de spotlust. Maar bij nader toezien mag ook dit soort therapeutisch dichtwerk als ernstig tijdverdrijf gezien worden. Dichten doodde niet alleen de tijd, maar hielp ook in uren van wankelmoedigheid. De guillotine maakte in de tuin van Huis ten Bosch weliswaar geen overuren, maar zo heel lang was 1794 nu ook weer niet geleden en de nieuwe machthebbers werden er door velen van verdacht geestverwanten te zijn van Robespierre en de zijnen. Voor een onbezorgde kijk op de nabije dagen was voor de gevangenen geen ruimte.

De gevangenen vonden en schonken steun met behulp van de stoa, in de context van vertrouwelijkheid, vriendschap en geestverwantschap die het album bood. De stoïcijnse filosofie was op Huis ten Bosch bij uitstek crisisfilosofie. De mannen moeten elkaar gesterkt en bevestigd hebben in de gedachte dat de stoa een bruikbare levenshouding aanreikte. Daarmee krijgen al die verwijzingen naar standvastigheid in de alba ook iets vlaks en onpersoonlijks: de gevangen heren bedenken tegelijkertijd allen vrijwel hetzelfde.

Oddens zoekt in zijn artikel wat mij betreft iets te opzichtig de verbindingen met trendy onderzoeksrichtingen – self-fashioning en emotiecultuur – waardoor de interessante bevindingen wat veel in een mal worden gegoten. Of de populariteit van het stoïcijnse gedachtegoed in de alba de gevangen mannen plaatst tegenover de achttiende-eeuwse gevoelscultus, dat lijkt me nog helemaal niet zo zeker. Daarvoor was de stoa op Huis ten Bosch te zeer óók een gelegenheidsstoa.

Bij het lezen van Oddens’ interessante artikel bekroop me de vraag of het genre van het vriendenalbum en dat van de autobiografie niet bij uitstek uitnodigen tot belijdenis van standvastigheid. In zijn autobiografie Mijne vrolijke wijsgeerte in mijne ballingschap (1792) laat Gerrit Paape zich kennen als stoïcijn. Wie de houding van de stoïcijn eenmaal heeft afgelegd – Paape na 1794: in de vervolgen op zijn autobiografie, niet langer in ballingschap – kan die houding daarna nog maar moeilijk nieuwe geloofwaardigheid geven. Of dat ook gold voor de parlementsleden na hun vertraagde vrijlating, is de vraag. — PA

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *