Carthago en Dido’s dood

Dood van Didomaandag 6 april 2015 – Op de prent hiernaast valt heel wat te zien, vooral als je erop klikt en de prent uitvergroot in beeld krijgt. Amor pist het liefdesvuur uit, Dido houdt een trouwbelofte vast en links onder het bordes hangt een aanplakbiljet voor een voorstelling van Didoos Doodt op 1 januari 1758.

Het toneelstuk is van Andries Pels, uit 1668 (tekst), en de prent is gestoken door Simon Fokke naar een tekening van Cornelis Troost. De prent hangt op de schitterende tentoonstelling Carthago, die nog tot 10 mei te zien is in het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden (info).

Dido, de legendarische stichteres van Carthago, ligt dood op een brandstapel van takken en spullen die aan haar geliefde Aeneas deden denken. Deze had haar verlaten, waarna ze zich doodstak. De fakkel in haar hand viel op de brandstapel, die vervolgens vlam vatte. Links op de voorgrond is een vrouw van verdriet onwel geworden. Achter de brandstapel kijken vrouwen op de stoep voor een huis verschrikt toe.

De verhalen over het oude Carthago, de derde stad van het Romeinse Rijk, hebben vele kunstenaars geïnspireerd. De Fenicische stad werd gesticht in de 9e eeuw vChr maar raakte vanaf de 7e eeuw nChr in de vergetelheid. Pas begin 19e eeuw zou de inmiddels legendarische stad ontdekt worden: door een Nederlander.

In de jaren ’90 van de 18e eeuw besloot de heerser van Tunesië bij Tunis een nieuwe haven voor zijn vloot aan te leggen. De Hagenaar Jean Emile Humbert (1771-1839), broer van de bekende kunstenaar David Humbert de Superville, solliciteerde en arriveerde er in 1796. Hij had geen zin om als militair ingenieur, waartoe hij was opgeleid, zijn eigen land te dienen: de in 1795 uitgeroepen Bataafsche Republiek.

Eenmaal in Tunesië raakte Humbert gefascineerd door de geschiedenis van het land. Vooral de verloren gegane stad Carthago, ergens in de buurt van Tunis, intrigeerde hem. Aanvankelijk was archeologisch onderzoek echter verboden maar de werkzaamheden aan de haven boden vooralsnog genoeg gelegenheid het terrein rond de stad te verkennen. Dit mondde uit in een aantal expedities, samen met de Italiaan Camillo Borgia. Humbert tekende wat hij zag, verzamelde oudheden en – nadat hij in 1817 de ligging van Carthago had vastgesteld – voerde opgravingen uit. Twee jaar later keerde Humbert terug naar Nederland, waar hij zijn verzameling oudheden en aantekeningen over Carthago wilde verkopen (bron).

Het RMO heeft zijn collectie voorwerpen uit het oude Carthago grotendeels te danken aan Humbert. Nu is er dus een tentoonstelling aan gewijd. Niet alleen staan er topstukken uit Carthago zelf, ook zijn er afbeeldingen te zien van de wijze waarop de stad voortleefde in de herinnering van 17e- en 18e-eeuwers.

Op de tentoonstelling hangt onder andere bovenstaande prent. Dat het een satirische prent is, wordt er niet bij vermeld. Zelf zou ik wel willen weten wie er is afgebeeld op het mansportret waarnaar Dido’s afhangende arm wijst, midden op de prent. De beschrijving van het Rijksmuseum geeft helaas geen uitsluitsel. Volgens mij staat er ‘Bemind aan Hoven’ als nep-lijfspreuk op. Een Amsterdams schandaal rond een niet nagekomen trouwbelofte uit 1757-1758? Saillant detail: het toneelstuk van Pels is volgens het onvolprezen repertorium van Anna de Haas nooit in de Amsterdamse schouwburg opgevoerd op 1 januari 1758. — RvV/JF

¶ Op 9 april (aanvang 19.30u) houdt conservator Ruurd Halbertsma een lezing over Carthago en Humbert. Info en aanmelden hier. De barok-opera Dido & Aeneas van Henry Purcell op 10 april is helaas uitverkocht. Op zaterdag 11 april is er het symposium Carthago en rituele mensdoding in de oudheid (info). Voor andere activiteiten die met Carthago te maken hebben, kijk hier. Over theatrale zelfmoord 1670-1780 schreef Anna de Haas onlangs een mooi boek (hier).

Reactie MG: Anna de Haas noemt de datum 1 januari 1758 inderdaad niet in haar repertoire van toneeluitvoeringen in de Amsterdamse Schouwburg. Niettemin kan Didoos Doodt die dag wel degelijk zijn opgevoerd: de gegevens van de seizoenen 1754/55 tot en met 1758/59 zijn namelijk niet overgeleverd. Waar mogelijk heeft Anna andere bronnen voor die periode gebruikt, maar deze prent is onopgemerkt gebleven. Een goede aanvulling dus op het repertoire.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *