Satire vervolgd in de negentiende eeuw

9258f07453woensdag 29 april 2015 – Goede tijden voor de satire? Stokslagen voor de makers, verontwaardiging bij de beledigden, vermaak voor de lezers. Dat krijg je van levende satire. Of nog erger: dat gehekelden de hekeling erg amusant vinden en de hekelaars op schoot zitten van de gehekelden.

Voor wie de satire van voorbije eeuwen bestudeert, is het vermaak wat minder en het gevaar te verwaarlozen. De satirestudie biedt soms een helder zicht op de conflicten van toen, soms ook een verwarrend zicht.

Het themanummer over Satirische tijdschriften in de achttiende eeuw (van de Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman) is nog maar ternauwernood herlezen of er is nieuw licht op de satire van destijds. Het tijdschrift De Negentiende Eeuw wijdde het eerste nummer van de nieuwe jaargang aan het thema ‘satire’. Vier artikelen telt het themanummer.

Het eerste artikel is van Lantaarndrager Ivo Nieuwenhuis. Hij droeg ook bij aan het gememoreerde nummer over satirische tijdschriften in de achttiende eeuw; onlangs verscheen van zijn hand ook een artikel in TS, het tijdschrift voor tijdschriftstudies. Zijn artikel in het themanummer van De Negentiende Eeuw bespreekt ‘de vele gezichten van satire’, vooral in algemene zin.

Een echte casus komt aan bod in het artikel van Laurens Ham: het geval-Wibmer. Ham geeft een nauwkeurig beeld van de satirische praktijken van Wibmer. Daarbij leunt hij sterk op de theorie van de ‘postures’, zoals de Zwitserse literatuursocioloog Meizoz die in de voorbije jaren ontwikkeld heeft.

Over die theorie is gemakkelijk wat lelijks te zeggen en ook gemakkelijk wat goeds. Het goede nieuws: Meizoz lost Bourdieu af en met weinig verdriet kan afscheid genomen worden van het reductionisme van Bourdieu. Meizoz heeft meer oog voor de individualiteit van de auteur, hij laat de auteur niet alleen in een ‘veld’ opereren, maar ook ‘iemand’ zijn. Meizoz heeft smaak in literatuur.

Het slechte nieuws is dat ook bij Meizoz het werk ondergeschikt lijkt aan de theorie. In het literaire werk beperkt de aandacht zich tot de manier waarop de schrijver zich erin manifesteert. Bourdieu en Meizoz zijn sociologen en het is en blijft opmerkelijk hoe letterkundigen hun talent en ervaring in het scherpzinnig ‘literair’ lezen wegpoetsen en serviel buigen voor de sociologie.

Zonder enige reserve is mijn enthousiasme voor het ‘beeldessay’ van Eveline Koolhaas- Grosfeld en het artikel van Frederiek ten Broeke over satire in de politieke journalistiek uit de periode 1870-1885.

In vergelijking met Satirische tijdschriften in de achttiende eeuw is het themanummer aan de kleine kant, maar hopelijk stimuleert het tot nieuwe detailstudies. Bijvoorbeeld over de satire van Multatuli, de reus van de negentiende eeuw.— PA

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *