Satirisch tijdschrift gezocht

kaptafeldonderdag 14 mei 2015 – Nog zo’n 500 lemmata te gaan, zeiden Pieter en ik tegen elkaar toen we spraken over de voortgang van de Encyclopedie Nederlandstalige Tijdschriften (ENT). Ooit dachten we dat er zo’n 250 – nou ja, vooruit: 500 – Nederlandstalige achttiende-eeuwse periodieken te beschrijven vielen, maar dat viel tegen.

Intussen zijn er 1000 lemmata gereed. De STCN geeft natuurlijk fraaie titels, maar dankzij de gedigitaliseerde kranten komen er vele, vele malen meer periodieken boven water. Periodieken die voor zover bekend nog nooit zijn besproken, laat staan dat een onderzoeker ze ooit in handen heeft gehad.

Ook die titels verdienen een plaats in de ENT: zelfs al is er misschien maar één aflevering verschenen en heeft die aflevering geen enkele betekenis gehad voor wie of wat dan ook, het blad is een Nederlandstalige periodiek. En dat het nog niet is opgedoken, wil niets zeggen. Morgen heb je het blaadje ineens in handen. Een voorbeeld van zo’n onbekend periodiek is de Vrolyke, satyrique en comique courant der heeren en juffrouwen, waarvoor op 24 maart 1762 in de Leydse Courant werd geadverteerd:

Heden word by de meeste Boekverkoopers uitgegeeven No. 1 en zal alle Maandagen vervolgd worden: Vrolyke, Satyrique en Comique COURANT der Heeren en Juffrouwen, geschikt tot een vermakelyke Tydkorting by de Koffy- Kap- en Theetafel op Saletten, Bezoeken, Gezelschappen en alle Divertissementen; een Tydschrift, zoo als nog nooit iets diergelyks is uitgegeeven, beschryvende in een bevallige trant de byzonderheeden, Minne Gesprekken en Gevallen der Verliefde Minnaars en Minnaaressen, ieder No. een Stuiver.

Boekverkoper Pieter Gillissen had een dag eerder al in de Middelburgsche Courant aangekondigd dat hij het blaadje in zijn winkel had liggen. Op 17 april 1762 sprak hij ook van een gratis folder (een ‘Berigt’) die bij hem verkrijgbaar was. Het was een weekblad dat iedere maandag zou verschijnen. De advertentietekst verraadt de naam van de uitgever niet.

Aardig aan de advertentie is, dat we ons niet alleen een beeld kunnen vormen van de doelgroep (óók vrouwen), maar tevens van de plekken waar men dit soort blaadjes las: aan de koffietafel, aan de kaptafel – je ziet de kapper al bezig de pruik op te maken – en aan de theetafel. Ook aardig is de inhoudsbeschrijving: de uitgever voelde goed aan dat vooral de thema’s liefde en relaties kopers zou aantrekken.

Quod non. Als het blaadje al het licht heeft gezien, dan was dat niet voor lang. De STCN noemt de titel niet. De ENT wel.— RvV

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *