Hoefnagel in de bocht

Hoefnagelvrijdag 19 juni 2015 – Er valt bij de het verzamelen van materiaal voor de Encyclopedie van Nederlandstalige Tijdschriften (ENT) veel te genieten.

Zo stuitte ik enkele weken geleden op De vrolyke bazuinblaazer, blaazenden over het belegerd Tillenburg, beneffens de opgebaggerde modderrievier, als mede het mislukte huwelyk, of ’t Meisje, een aartje na haar vaartje, de snoepige gryzaart met zyn root schimmelde bles, beneffens verscheide aardige en wetenswaardige gevallen, die de zotheden der waereld te kennen geven, op een vrolyke trant geschreeven uit 1772.

Ach, het arme Tilburg wordt over de hekel gehaald, dacht ik aanvankelijk. Maar het bleek heel anders.

In De vrolyke bazuinblaazer wordt de actrice Hendrina Margaretha van Thil (1722-1799?) buitengewoon kwaadaardig tentoongesteld. Volgens de auteur is deze ‘ToneelVorstin’ Van Thil een ‘Speelziek Krulhondje, dat teef hiet’. Ze is een kwispedoor, altijd uit op materieel gewin. Haar erotische escapades worden breed uit gemeten: ‘daar is meer aan u gemorst, als met een Kokkinje daar een Hottentot een uur aan gezoogen heeft’. Haar echtgenoot, de Tielse kapper Carel Coenraad Molster, wordt als een wanhopige, naïeve minnaar weggezet,

Van Thil zou door tenminste vijf vrijers ‘bestormd en ingenoomen’ zijn, door verschillende ‘Mainteneurs’ onderhouden, en het ook met de acteur en toneelschrijver Simon Rivier hebben aangelegd. En ja, ze had twee buitenechtelijke kinderen: ‘met dit alles had Madam slegts maar twee Wurmpjes gezweet, dat zuinig genoeg is in zoo veel jaaren, maar wat zal men zeggen: op Velden wascht welwelig Gras, maar zelden op betreden wegen’.

Na het openingsnummer van De vrolyke bazuinblaazer volgt plotseling het derde nummer van De (vrolyke) onzichtbaare, dus in één deeltje. En daarin wordt de arme Van Thil vrolijk verder afgemaakt. Alles anoniem – giftige lectuur dus. Maar wie is de schrijver, die het leven van de gevierde actrice met allerlei privézaken lardeert?

De bibliografie van Hoefnagel die André Hanou in 1973 (Documentatieblad werkgroep Achtiende Eeuw (19/1, p. 21-44) publiceerde en zijn rijke kaartenbak leveren met een omweg de oplossing. In drie advertenties in de Leydsche courant van eind 1772 en begin 1773 kondigt de Amsterdamse uitgever Arend Bakker ‘een Nieuw weeklijks vertoog’ aan: Iets over alles, dat elke woensdag zal verschijnen. Van dit blad is volgens Hanou geen exemplaar bekend, maar in de tweede advertentie wordt de mededeling over Iets over alles gekoppeld aan een verzoek aan de correspondenten van N. Hoefnagel, om zich, in verband met zaken rond weer andere Hoefnagel-tijdschriften, bij uitgever Bakker te melden. Dat betekent dat de bekende broodschrijver Klaas Hoefnagel (1735-1784) de auteur is van Iets over alles.

In de tweede en de derde advertentie bericht uitgever Arendje Bakker dat De vroolyke onzigtbaare achter Iets voor alles geplaatst is. Nummer 3 van De onzichtbaare treffen we echter achter het openingsnummer van De vrolyke bazuin-blaazer aan – inderdaad onzichtbare bladen. Iets over allen, De vrolyke bazuinblaazer en De (vrolyke) onzichtbaare lijken dus Hoefnagel-periodieken te zijn. Maar wat hem tot deze vileine propaganda aanzette, anders dan broodschrijverij, blijft vooralsnog duister. — PvW

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *