Varkens en literatuur

Hazartzaterdag 11 juli 2015 – Dat Cornelius Hazart (1617-1690) niet in de Vlaamse literatuurcanon staat, is begrijpelijk. De welbespraakte Antwerpse jezuïet schreef geen romans, geen toneelstukken en voor zover ik weet geen gedichten. Maar hij heeft wel een kleine 90 Latijnse en Nederlandstalige theologische en apologetische werken op zijn naam staan. Hij was erg populair, misschien wel omdat hij in zijn bestseller Kerckelycke historie vande gheheele wereldt de Scheldestad aanwees als het centrum van de wereldgeschiedenis. Dat is natuurlijk niet verkeerd.

Zijn populariteit had hij ook te danken aan zijn gepolemiseer met en gefulmineer tegen de verdedigers van het protestantisme. Eén van de protestanten die de handschoen oppakte, was de even welbespraakte Dordtse predikant Jacobus Lydius (1610-1679). Zijn irritatie ontlokte hem een karaktermoord in meerdere delen. Hij schreef onder andere Den Antwerpschen uyl in doods-nood (1671), Het overlijden van den Antwerpschen uyl (1671) en – last but not least – Het laetste olyssel van den Antwerpschen uyl in doodtsnoodt (1671). Het is niet moeilijk te raden wie die Antwerpse uil was, die de Dordtse voorganger op papier monddood wenstte te maken (bron).

Lydius had hierin al aangekondigd dat hij nog een epistel in de maak had, gericht tegen zijn Antwerpse opponent. Het zou de apotheose moeten worden van zijn inmiddels lange reeks aanklachten tegen de verfoeilijke Hazart. In De Laetsten duyvels-dreck zou hij de ‘schandelicke theologie’ van de jezuïeten gaan becommentariëren. Maar voordat de predikant het aan de drukker kon overhandigen, overleed hij. Een onbekende moet de moeite hebben genomen om daarna het manuscript alsnog op de markt te brengen.

In 1687 verscheen bij de Dordtse boekverkoper Simon onder de Linde de Laetsten duyvels-dreck, ofte Ongehoorde grouwelen van paepsche leeraers onser eeuwe. Op de titelpagina, waarvan hierboven een uitsnede, is een paus te zien, herkenbaar aan zijn tiara. Hij zit op een varken en voert zijn eigen uitwerpselen aan dit beest. Op de achtergrond kijken een paar omstanders toe. – Het is een mooie aanvulling op de varkens die Peter Altena in de 18e-eeuwse satirische literatuur traceerde (Groe! Groe! Groe! Knor knor!). —RvV

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *