Grachten ruiken en stenen proeven

Philippe Mercier, The Sense of Smell (1744-1747). Collectie Yale Center of British Art

Philippe Mercier, The Sense of Smell (1744-1747). Collectie Yale Center of British Art

zaterdag 12 maart 2016 – De Werkgroep 18e Eeuw wijdde haar jaarlijkse congres dit jaar aan geur en smaak, met Brussel als toepasselijke locatie. Het thema bleek een gelukkige keuze.

Onderzoekers van diverse disciplines, afkomstig uit onder meer uit Polen, Rusland, Duitsland en de Verenigde Staten, toonden de bezoeker een rijk palet aan achttiende-eeuwse ideeën over en belevingen van geur en smaak. Als klap op de vuurpijl was er een heuse ‘geurperformance’ aan het einde van de eerste congresdag. Kunsthistorica Caro Verbeek liet het publiek op aanstekelijke wijze kennismaken met de geuren van het achttiende-eeuwse Amsterdam. Zowel de aangename als de minder aangename. 

Historica Viktoria von Hoffmann, onderzoeker aan de Université de Liège, mocht het congres openen. Zij verhaalde over de fundamentele veranderingen die het concept smaak in de achttiende eeuw doormaakte: van een per definitie laag zintuig, waarover men vaak überhaupt niet sprak, naar een verschijnsel dat weliswaar nog steeds met een zekere argwaan werd benaderd, maar waarover toch ook serieus gediscussieerd werd, en dat mede dankzij de Franse nouvelle cuisine steeds meer in aanzien steeg. Tevens wees ze op het feit dat het gebruik van de term smaak in esthetische zin, dat omstreeks 1700 zijn intrede deed, in directe samenhang gezien moet worden met de toegenomen aandacht voor smaak in culinair opzicht.

Wat betreft het thema geur werd het publiek vergast op lezingen over onder meer de potentieel erotiserende werking van de geur van jeneverbessen in enkele Engelse gedichten en de relatie tussen geur en luxe.

Het thema geur en smaak ‘leeft’ binnen de achttiende-eeuwstudie anno 2016. Zo veel was duidelijk na twee volle congresdagen. Voor een leek op dit gebied, zoals ondergetekende, leverde dat veel aardige inzichten op. Zoals de negatieve reputatie op eetgebied, die de jonge Verenigde Staten in de late achttiende eeuw hadden onder enkele Poolse reizigers. Het dieet van de gemiddelde Amerikaan zou volgens hen zeer eenzijdig zijn en voornamelijk bestaan uit grote hoeveelheden vlees. Ook opmerkelijk: geologen in de achttiende eeuw gebruikten hun tong om gevonden gesteenten te classificeren, op basis van smaak dus.

Spijtig was slechts dat er zo weinig niet-specialisten op het congres aanwezig waren. Het voortdurende gehamer op interdisciplinariteit binnen de academie heeft er weliswaar toe geleid dat van muren tussen de traditionele vakgroepen tegenwoordig nauwelijks nog sprake is, de prijs die daarvoor is betaald is dat zich inmiddels een nieuwe, thematische ‘verzuiling’ voordoet. Daarbij spreken geurspecialisten nog slechts met geurspecialisten, en emotieonderzoekers met emotieonderzoekers. De breed geïnteresseerde intellectuele geest van de achttiende eeuw indachtig moet deze ontwikkeling zeker betreurd worden. ¶ IN

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *