Cabaret avant la lettre

rarekiekdonderdag 31 maart 2016 – Werkend aan een artikel over de rarekiektraditie voor de Mededelingen stuitte ik op het lied ‘De Haegse Rariteyt-kas’, opgenomen in het Derde stukje van het Princelyke Oranje hof, cierlyk beplant met Oranje gezangen uit 1749.

In het lied is de vertoner van een rarekiek aan het woord, die vertelt wat er in zijn kast zoal te bewonderen valt. Dat blijken ditmaal beelden van de kermis in Den Haag te zijn – een fraai staaltje Droste-effect, aangezien de rarekiek zelf ook een kermisattractie was in die tijd.

In het typische verfranste Nederlands van de rarekiekman lezen we wat de Haagse kermis anno 1749 te bieden had. Het eerste beeld blijkt meteen te prikkelen:

Kyk maar rekt uyte,
Jou sie daar Arlekyn,
Speul op de Fluyte,
Met zyn Confreer pasquyn,
Zy spot al wat zy ziet,
En maek op alles Lied,
Zy doen niet as raljere,
Mit al wat in de Land kom te passeren

Twee figuren worden hier ten tonele gevoerd: Harlequin, ooit begonnen als komische knecht in de commedia dell’arte, maar al sinds lang zelfstandig actief als kluchtig personage in de literatuur en op het podium, en Pasquino, het Romeinse standbeeld waaraan sinds de zestiende eeuw spotverzen werden bevestigd, en dat van daaruit ook de naamgever werd van spottende pamfletten (paskwillen) in algemene zin.

Harlequin en zijn confrère Pasquino treden op de Haagse kermis op als een soort komisch zangduo, dat kennelijk niets anders doet dan de gek scheren (‘raljere’ is railleren) ‘mit al wat in de Land komt te passeren’, oftewel met wat wij tegenwoordig de actualiteit zouden noemen.

Als dit lied de werkelijkheid beschrijft – en er is eigenlijk weinig reden om daaraan te twijfelen – dan zijn we hiermee een soort cabaret avant la lettre op het spoor. Het maken van grappen naar aanleiding van de actualiteit, niet in de laatste plaats in muzikale vorm, vormt immers een van de kernaspecten van het Nederlands cabaret (zie voorbeeld). Ook typerend voor cabaret is dat het een vorm van live optreden is, voor publiek. Daar lijkt hier eveneens sprake van te zijn.

Volgen we deze lijn van redeneren, dan moet het bestaande beeld van de Nederlandse cabaretgeschiedenis behoorlijk bijgesteld worden. In dat beeld, onder meer terug te vinden in de befaamde ‘cabaretbijbel’ van Wim Ibo, geldt de late negentiende eeuw als het beginpunt van deze traditie, en zijn Parijs en Berlijn de geboorteplaatsen van het cabaret, van waaruit het vervolgens overwaait naar Nederland.

Het bovenstaande voorbeeldje, maar ook diverse andere gevallen van nieuws-gerelateerde spot en humor uit de achttiende eeuw, doen vermoeden dat het cabaret een veel langere inheemse (voor)geschiedenis heeft, een geschiedenis die erom vraagt nader in kaart gebracht te worden.

Ik pak die handschoen bij dezen graag op, al geef ik geen garanties voor de einddatum van het project.— IN

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *