Fashion – self-fashioning

DAEwoensdag 11 mei 2016 – ‘There’s a brand new talk, but it’s not very clear’, dat zong David Bowie in ‘Fashion’. Ik moest er onwillekeurig aan denken bij het opslaan van de nieuwe aflevering van De Achttiende Eeuw, jaargang 47 (2015), dat geheel gewijd is aan ‘self-fashioning’ en geheel gesteld is in het Engels.

Van ‘self-fashioning’ hoorde ik voor het eerst in een lezing van Edwina Hagen en later las ik erover in haar Schimmelpenninckbiografie. Ik was niet de enige die onder de indruk was. Later zag ik die ‘self-fashioning’ vaker passeren en de aanvankelijke bewondering maakte plaats voor scepsis. Wat was dit nu helemaal? Die Schimmelpenninck was toch meer dan zijn kledingkeuze, zijn representatie? Had die man ook niet aan politiek gedaan?

Het deed me alles denken aan de keizerlijke kleren van Bourdieu, waar heel wat geleerden van faam zich de voorbije jaren in het openbaar mee lieten zien. Dat je er niets lelijks over mag zeggen, zegt eigenlijk wel genoeg. Mijn belangrijkste bezwaar is het reductionistisch karakter van genoemde benaderingen: een schrijver wordt gekleineerd tot een kleine manipulator, op zoek naar faam en allerlei vormen van kapitaal, of naar een imago dat hem de wereld helpt overwinnen. Meizoz, de nieuwe goeroe.

Mij dunkt dat schrijvers vooral interessant zijn omdat ze schrijven en om wat ze schrijven. Dat is ook een beperkte visie, ik weet het, maar mij dunkt dat die visie meer recht doet aan het schrijverschap en meer ruimte biedt om het over het geschreven werk te hebben. Ik ben meer geïnteresseerd in intelligente analyses van werk dat ik ook kan lezen, analyses die ik kan tegenspreken.

Het nieuwe nummer van De Achttiende Eeuw lijkt wel samengesteld om me ‘self-fashioning’ een nieuwe kans te geven. Een keur aan intelligente auteurs heeft zich gebogen over het fenomeen – wie kan het met zoveel talentvolle mensen oneens zijn? – en in case-studies laten zij zien wat het in concreto betekent en kan opleveren. Ivo Nieuwenhuis confronteerde zijn Van Woensel met Greenblatt, de grote man van de ‘self-fashioning’; Edwina Hagen onderwierp Petronella Moens aan een nieuwe analyse; de scherpzinnige Jan Rock concentreerde zich op de interactie tussen schrijvers en lezers; Joris Oddens las de portretten van Jan van Hooff.

Het zijn alle studies die met hun ‘brand new talk’ een nauwkeurige lectuur vragen en die in mij een afwachtende en nieuwsgierige lezer zullen vinden.— Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *