Hoe zwart was de zonnekoning?

Image noirewoensdag 18 mei 2016 – Ooit baarde Rudy Kousbroek opzien toen hij zijn kritiek op het vaderland onderbouwde met een klein vergelijkend onderzoek van de reizigers met het openbaar vervoer in Nederland en Parijs. Kousbroek stelde vast dat Nederlanders in bus, tram en trein zelden lazen, terwijl de metrogangers in Parijs van halte naar halte altijd wel hun ‘livre de poche’ opsloegen.

Nederlanders waren een cultuurarm volkje, Parijzenaars namen zelfs in de metro hun ‘esprit’ mee. Voor de vorm verzetten Nederlanders zich tegen de conclusies van Kousbroek, de spraakmakendste landgenoten beoefenden de nationale sport van het (hoogmoedig) zelfverwijt, mea culpa: wat zijn wij, Nederlanders, toch bot en wat weten wij dat goed. Goed hè!

In de boekhandel zocht ik naar leverbaar werk van de Zwitser Meizoz, sinds enige tijd de nieuwe zonnekoning. Greenblatt is ‘vieux jeu’, Meizoz is ‘hot’. Ik heb wel eens wat gelezen van Meizoz over Louis-Ferdinand Céline en dat was intelligent genoeg, smaak heeft Meizoz dus! De zoektocht leverde echter niets op. Niet goed gezocht of is er eigenlijk niet een handzaam werk waarin het denken van Meizoz naar voren komt? Wordt het ook niet tijd dat de Nederlandse Meizozianen een bloemlezing uit ’s mans verspreide geschriften samenstellen?

Zoals zo vaak, ook nu weer: met een ander boek verliet ik de boekwinkel. Vóór de aankoop bladerde ik erin: L’Image noire de Louis XIV. Provinces-Unies, Angleterre (1668-1715), geschreven door Isaure Boitel. Dat bladeren heeft me al vaak weerhouden een boek te kopen dat ik nooit zou lezen, soms hielp bladeren niet en kocht ik toch, maar las het niet.

Dit boek, ruim 500 bladzijden, uitgegeven in maart van dit jaar door uitgeverij Champ Vallon (€ 29), beschrijft en analyseert het donkere beeld dat in de satire in de Republiek en Engeland van de zonnekoning wordt getekend. Een cruciale rol wordt hier toegekend aan Romeyn de Hooghe.

Voor haar onderzoek heeft Boitel wel Britse bibliotheken bezocht, voor de Nederlandse satire heeft zij zich goeddeels gebaseerd op in het Engels en Frans gestelde studies en op teksten die in de Bibliothèque Nationale aanwezig zijn. In Nederland zijn de collecties van het Rijksmuseum en Atlas van Stolk geraadpleegd, plaatjes dus, maar geen teksten. Dat is natuurlijk wel jammer, dat direct bronnenonderzoek naar in het Nederlands gestelde teksten niet (of nauwelijks) in de plannen paste.

Aan de andere kant pleit het óók voor de inspanningen van veel Nederlandse geleerden om hun inzichten in het Engels, Frans of Duits te verwoorden. Ik heb over die inspanningen wel eens lelijk gedaan – Nederlanders schrijven en spreken in het Engels voor andere Nederlanders -, maar uit het onderzoek van Boitel blijkt, dat nu en dan Nederlanders (Joop Koopmans, Paul Smith) ook door Fransen gelezen worden.

Wat me verder bij oppervlakkige beschouwing van het boek van Boitel trof, is het isolement waarin de bestudering van de satire bij haar gestalte krijgt. Aansluiting bij Brits, Amerikaans, Duits en Nederlands satire-onderzoek wordt niet gezocht.

Dat alles neemt niet weg: interessant boek! Vragen volop: is het duistere portret van Lodewijk een inversie van het gepimpte portret van Willem III? Wordt Willem in de Franse media net zo duister afgebeeld als Lodewijk in Nederland en Engeland? Kan het Nederlands satire-onderzoek wat opsteken van het werk van Boitel? —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *