Ongeduldige tiener op reis

koetszondag 5 juni 2016  Een jaar of twintig schat ik haar, zeker niet ouder, eerder wat jonger. Josina Seegers reisde op 14 juni 1783 van Amsterdam naar Ootmarsum met enkele familieleden, heer Welberaaden, vrouw Goedhart, vrouw Veelzorg, en enkele anderen, onder wie een Spaanse edelman (die in zijn slaap praat) en de voerman, tevens bruidegom, nee niet van Josina.

Het was ‘heemels schoon weer’, aldus haar berijmd reisverslag. Onderweg spoelde het gezelschap ‘caakies, ossetong en ook sasijsen brooden’ weg met goede wijn. In Utrecht logeerde ze bij ‘heer Patriot en vrouw Geestrijk’ aan de Oudegracht, bezocht ze ‘doctor Pipoos huijs’ [??], amuseerde zich bij een optreden van 300 gewapende genootschappers onder ‘keurig krijgsmusiek’, en nam de volgende dag druistig afscheid – kus, kus, kus – de ongeduldige tiener wilde voort. De koets joeg de volgende dag door ‘Knollenstad’ (Amersfoort), Voorthuizen en Almelo richting Ootmarsum.

Onderweg bezocht het gezelschap ’t vorstelijk Loo’. Dat zij te ‘snaaks gekleedt’ waren voor zo’n bezoek deerde hen niet. Josina’s ‘aape rok’ was talloze keren versteld, Veelzorgs zwarte ‘cak’ was nauwelijks een daalder waard, Vrouw Goedharts jurk niet eens twee kronen. Ze vergaapten zich aan ‘de ouwde prinschen praale’, het ‘bieljart’ en de kleine bibliotheek.

En voort ging het weer – Josina’s rijmelarij hield de koets nauwelijks bij – de ‘Eyzel’ over, Deventer in en later ‘Oortmaarzum’ waar ze enkele weken bleven logeren. Van daaruit maakten ze tochtjes in de omgeving. Een bezoek aan slot Bentheim eindigde met een weerspannig paardenstel, tot schrik van het reisgezelschap. Hoffmanns druppels brachten hen weer tot rust, en wie goed luisterde hoorde de koetsier-bruidegom ‘saggies galmen’, omdat hij ‘omt mijsie dagt’, Josina reciteerde een van Davids klaagpsalmen, de koetsier liet de zweep knallen.

Half juli reisden ze weer terug naar het westen. Onderweg bereidde het reisgezelschap het eten; ‘doe kreeg een ider werk, te saam aant erten doppen’, Josina ‘ontnam de hoenders hun vlerken, poot en koppen’. In Apeldoorn logeerden zij in het logement De Moor. Via Utrecht, Weesp, het ‘sandig Gijn’ bereikten ze ‘de Meer’, passeerden de Turkse tent en kwamen op 18 juli ‘gezont en wel’ weer thuis.

Wie Josina Seegers is heb ik niet onderzocht, maar mogelijk was ze verwant aan de te Ootmarsum wonende tak van het geslacht Hubert. Het testament van de weduwe van de te Ootmarsum overleden Peter Hubert passeerde in 1807 voor schepenen te Amsterdam.

Josina’s berijmd reisverslag is alleen al door de adembenemende vaart de moeite van het lezen waard. Maar ook om haar culinaire opmerkingen, haar kijk op de medereizigers, de omgeving en de bezoeken. Zo maakte zij koningschieten bij een schuttersgilde mee (‘een plomp stuk vlees, dat liet sig kooning noemen’). Nee, Josina wond er geen doekjes om. Je zou toch wel meer over haar willen weten. – Pieter van Wissing.

¶ Bron: Gelders Archief, Huisarchief De Cloese, inv.nr 77.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *