Nieuwe neerlandistiek (1)

Ekels_de_Jonge.jpegwoensdag 8 juni 2016Kort geleden reageerde Ivo Nieuwenhuis op mijn blogtekst waarin ik het nieuwe nummer van De Achttiende Eeuw besprak en de inhoud prees. En ja, ook van mijn scepsis over de nieuwe benaderingen, zoals die verbonden zijn met de namen van Bourdieu, Greenblatt en Meizoz, geen geheim maakte.

In mijn stukje laat ik uitschijnen dat ik aanvankelijk onder de indruk was van de toepassing van Greenblatts opvattingen in Edwina Hagens Schimmelpenninckbiografie. De twijfel, waar ik over schreef, sloeg nadien toe, maanden nadat ik het boek gelezen had. Ook omdat ik bij andere gelegenheden, in de maanden die volgden, de naam Greenblatt meer dan eens, met haast grenzeloze verering, hoorde noemen.

Over de vele daarvóór verschenen studies, waarin de denkbeelden van Bourdieu uitgangspunt waren en waarvan ik er enkele gelezen heb, wil ik het niet hebben, al was het maar omdat ik het daarover niet gehad heb.

Om het nog eens ingewikkelder te maken: mijn in het blogje geformuleerde scepsis ten aanzien van de leer van Greenblatt bekeek ik daarbij met scepsis, met het uitspreken van mijn nieuwsgierigheid (en ja ook afwachten).

In een blog van enkele dagen later kan de lezer mij betrappen in Parijs, waar ik in de boekwinkel op zoek ging naar het werk van Meizoz, omdat die mij – op grond van wat anderen over hem schreven en vanwege zijn aandacht voor de door mij bewonderde Céline – interessanter leek dan beide anderen. Is dat ongenuanceerd of gemakzuchtig? Alleen: in de grote boekhandels van Parijs geen spoor van Meizoz.

Op een paar plaatsen in zijn reactie maakt Ivo Nieuwenhuis gewag van dat wat hij als mijn suggesties ziet. Niet alle suggesties die hij in mijn tekst leest, zijn mijn werk: de suggestie bijvoorbeeld dat degenen die zich baseren op Bourdieu c.s. niet of nauwelijks literatuur lezen en dat zij bevlogenheid missen, heb ik niet gedaan. Het lijkt me niet zindelijk een verwijt dat niet gemaakt is vervolgens te kwalificeren als ‘laag-bij-de gronds’. Het boek van Laurens Ham, waarover Ivo Nieuwenhuis schrijft, heb ik niet gelezen en ik heb er dan ook niets lelijks over gezegd of geschreven.

Waar Ivo Nieuwenhuis schrijft dat de aandacht voor de strategische aspecten van het schrijverschap niet als een ontkenning van de esthetische waarde, maar als een aanvulling moet worden gezien, daar overvalt mij grote twijfel. Nu denk ik om te beginnen dat weinig neerlandici nog uit zijn op een analyse van werk om daarmee de schoonheid van het besproken werk te laten zien: het ‘o wat mooi, wat prachtig gezegd’, wordt al decennia door geen enkele neerlandicus meer geroepen.

In een recent artikel van Bram Ieven in Spiegel der Letteren 57 (2015), p. 407 wordt in categorische bewoordingen verklaard dat ‘de close-reading van Merlyn’ haar werk gedaan heeft en ‘achter de einder’ lijkt te zijn verdwenen en afgelost is door onderzoek ‘naar de institutionele, sociale en culturele figuur van de auteur’. Poeh!

Aandacht voor de strategische aspecten en andere aspecten van het schrijverschap is in deze woorden bepaald geen aanvulling, maar een vervanging en in zekere zin een ‘wegschrijven’ (en afschrijven) van veel neerlandistieke tradities. —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *