Nieuwe neerlandistiek (2)

Pierre Bourdieu (1930-2002)

Pierre Bourdieu (1930-2002)

vrijdag 10 juni 2016 – Misschien vergis ik me – ik denk het niet -, maar het is mijn stellige indruk dat op het tijdvak van Merlyn, waarin alles om de tekst, louter om de tekst draaide, een periode volgde, waarin de lezer het voor het vertellen had. De receptie-esthetica gaf de lezer het eerste en het laatste woord.

Op de zin van structuuranalyse volgens Merlyn werd afgedongen in publicaties van Hugo Verdaasdonk: hij richtte zijn aanval op het hermeneutisch ‘Verstehen’, dat zou bij de interpretatie alleen maar oncontroleerbare kletspraat tot gevolg hebben. Daarbij ridiculiseerde hij in zijn serie artikelen in De Revisor (via vertekening) de bestaande literatuurstudie. Nee, literatuurwetenschap moest empirisch zijn of niet zijn.

Nadien werd de structuuranalyse behalve belachelijk ook verdacht gemaakt. In het nieuwe boek van Mathijs Sanders, Europese papieren, lees ik dat beweerd is dat Oversteegen, een van de redacteuren van Merlyn, in zijn onderzoek vooral naar schrijvers zocht ‘wier opvattingen als het ware preludeerden op de werkimmanente poëtica die de programmatische grondslag’ van Merlyn vormde. Een haast narcistisch soort literatuurstudie dus.

De koerswijziging – dag structuuranalyse, welkom receptie-esthetica – had gevolgen voor het literatuuronderwijs: mijn goede leraar Nederlands las met ons nog Wolkers, Hamelink, Nijhoff, Lucebert en Ten Berge volgens de lijnen van Oversteegen, Fens en D’Oliviera. Op de universiteit was de structuuranalyse, soms taalkundig gestuurd, nog lange tijd leidend. Met de receptie-esthetica deed het meten en tellen zijn intrede en was het streven naar een sluitende interpretatie niet langer in tel. Het fenomeen ‘verwerkingsverslag’, waarin de jonge lezer de kans krijgt leeg te lopen in onverstand, is op middelbare scholen een onwenselijk gevolg van deze nieuwe benadering. Tijdens een nascholingsbijeenkomst werd een beminnelijke en belezen collega van me met droge ogen gevraagd of hij op grond van een gedicht van Emily Dickinson een boom wilde tekenen. Ik geloof niet dat hij dat idee in zijn lessen heeft toegepast, maar het laat wel zien hoe tekstanalyse werd vervangen door lezersbeleving.

In de literatuurwetenschap werden in navolging van Verdaasdonk en andere Tilburgers de empirische benaderingen populair. In een schitterend en ontluisterend artikel van Daniël Rovers, ‘Let’s Talk About Text, Baby’ (De Reactor) is in 2012 het succes van de empirische literatuurbenadering en de Bourdieu-dictatuur in Nederland helder en onontkoombaar geschetst. Volgens Rovers leidde de toepassing van de leer van Bourdieu, de institutionele benadering, tot ‘stratego-neerlandistiek’, die weliswaar harde gegevens opleverde, maar toch vooral weinig opzienbarende inzichten.

Ik heb wel eens zo’n door Bourdieu geïnspireerd college bijgewoond: het ging om aantallen dichtbundels per jaar, bij welke uitgevers, het aantal debutanten, de aandacht in de pers. Een armzalige reeks zinloze feiten, waar Gods zegen bepaald niet op rustte. Veel theorie, geen zin.

Rovers maakt aannemelijk dat de institutionele aanpak niet slechts leidend, maar zelfs uitsluitend is geworden. Ik geloof niet dat een dissertatievoorstel waarin de institutionele of auteursgerichte benadering ontbreekt momenteel veel kans op honorering maakt.

Soms bekruipt me de gedachte dat de neerlandistiek (en dus niet: de levende literatuur) zich ontwikkelt langs de lijnen die Bourdieu schetste, alleman op zoek naar wetenschappelijk en sociaal kapitaal. Och, als dit zo waar’ …zou ’t vreeselyk zyn!’ – Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *