De onverwoestbare Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1)

De Maatschappij vierde op vrijdag 20 mei j.l. haar 250-jarig jubileum, in het bijzijn van de koning.

De Maatschappij vierde op vrijdag 20 mei j.l. haar 250-jarig jubileum, in het bijzijn van de koning.

vrijdag 8 juli 2016 – Krakende wagens lopen het langst. Dat zou een goed motto zijn voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Die vierde onlangs haar 250-jarig jubileum. Uit het bij die gelegenheid uitgegeven jubileumboek Al die onbekende beroemdheden (onder redactie van Tom van Kalmthout, Peter Sigmond en Aleid Truijens) komt haar geschiedenis vooral naar voren als een moeizame strompelgang.

Frans van Lelyveld en de zijnen beginnen met goede moed in 1766, maar hun initiatief wordt van het begin af aan geplaagd door een kwaaltje dat als een rode draad door de historie van de Maatschappij lijkt te lopen: andere zaken zijn belangrijker. Natuurlijk willen auteurs van naam en faam, zoals Balthasar Huydecoper, hun morele steun verlenen aan dit eerbiedwaardige gezelschap, maar op een actieve bijdrage hoeft intussen niet gerekend te worden.

Het revolutietijdvak pakt voor de Maatschappij desastreus uit. In de jaren 1780 worden de leden zodanig door de politieke strijd in beslag genomen dat er voor de bestudering van de letterkunde nog minder tijd dan gewoonlijk overschiet. Bovendien loopt de breuklijn tussen patriotten en orangisten dwars door de gelederen van de dan nog kleine Maatschappij heen. In de jaren 1790 komt de vereniging zelfs een aantal jaren in het geheel niet bij elkaar en leidt ze een ronduit comateus bestaan. Pas in 1804 verandert dit, wanneer de eerste jaarvergadering sinds ruim tien jaar plaatsvindt.

In de negentiende eeuw heeft de Maatschappij het tij meer mee. Haar centrale doelstelling om de bestudering van de Nederlandse taal, literatuur en geschiedenis te bevorderen past immers naadloos binnen het dan vigerende nationalisme. Maar nieuwe kwalen dienen zich aan.

Allereerst is daar het sterk Leidse karakter van de Maatschappij. De maandelijkse bijeenkomsten, een vaste gewoonte in de negentiende eeuw, vormen een nogal Leids onderonsje, waarvoor leden die buiten Leiden wonen aanvankelijk niet eens uitgenodigd worden. Ook anderszins blijft de Maatschappij (te) hecht met de sleutelstad verbonden. Echt nationaal wil ze daarmee niet worden.

Ten tweede speelt de sterke verknochtheid aan tradities de Maatschappij parten, met name in de tweede helft van de negentiende eeuw. De bedaagde letterheren weten maar moeilijk om te gaan met de komst van radicale vernieuwingen vanuit zowel de  hoek van de literatuur (Tachtigers) als die van de samenleving (vrouwenbeweging). Hun houding is er zelden een van totale afwijzing, maar echt open voor verandering staat men toch ook niet.

In de eerste helft van de twintigste eeuw lijkt het voor de verandering eens wat beter te gaan met de Maatschappij. De vereniging vergroot haar maatschappelijke zichtbaarheid en haar belang voor het literaire veld door literaire prijzen te gaan uitreiken, waaronder de nog altijd bestaande Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs. Dat gaat wel gepaard met het nodige interne rumoer, over onterechte prijswinnaars en zuinige juryrapporten, maar er is tenminste leven in de brouwerij.

Na de Tweede Wereldoorlog volgt, zoals bekend, een nieuwe golf van radicale vernieuwingen, in maatschappelijke zin vooral. De Maatschappij doet hard haar best om zich aan de snel veranderende tijdsomstandigheden aan te passen, onder andere door haar naam te verbinden aan een controversiële avond met Gerard Reve in de Allerheiligste Hartkerk in Amsterdam in 1969, die tevens wordt uitgezonden op televisie. Desondanks blijft haar naamsbekendheid onder jonge schrijvers in deze periode beperkt. Daar is sindsdien, vrees ik, weinig verandering in gekomen.

De conclusie van dit alles zou kunnen zijn dat de Maatschappij haar toekomst somber tegemoet moet zien, maar ik denk dat het tegendeel waar is. Het spreekwoord waarmee ik mijn bespreking begon indachtig, valt eerder te verwachten dat de Maatschappij de komende 250 jaar op gelijke wijze zal blijven voortstrompelen, met een ietwat suffig en behoudend imago, met een relatief marginale positie binnen het maatschappelijke en literaire veld, en met een onuitroeibaar Leids aura, maar in die hoedanigheid wel behept met een bewonderenswaardig overlevingsinstinct.  – Ivo Nieuwenhuis

[wordt vervolgd]

¶ Tom van Kalmthout, Peter Sigmond en Aleid Truijens (red.), Al die onbekende beroemdheden. 250 jaar Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Leiden: Leiden University Press, 2016. ISBN 978 90 8728 258 5.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *