Peper in de kont van de blauwwever

Sodomie in Brugge in de tweede helft van de achttiende eeuw

sodomie utrechtmaandag 18 juli 2016 – In Brugge was het een priester die naar de autoriteiten liep om te klagen over de blauwwever Joannes Baptiste Jacobs, die in de buurt gold als ‘bederver van jonge knegtjens’. Het was in de omgeving van het ‘klein Eeckhoutstraetjen’ een goed bewaard geheim dat Jacobs met enige regelmaat jongens naar zijn woning in dat straatje lokte.

Wat hij met de ‘knegjens’ bedreef, varieerde. Met een onthutsend gebrek aan omzichtigheid kwamen de jongens, die als slachtoffers golden, aan het woord om te beschrijven wat er zich precies in het huis van de blauwwever had afgespeeld.

In het tijdschrift Historica (2016-2) wijdt Jonas Roelens een even kort als fascinerend artikel aan de lotgevallen van Joannes Baptiste Jacobs en zijn proces. In de inleidende en uitleidende alinea’s plaatst hij de Brugse casus op voorbeeldige wijze in de bestaande onderzoekskaders, zoals die geschapen zijn door Michel Foucault en Theo van der Meer. De bijdrage die Ton Jongenelen in 1998 (in Mededelingen Jacob Campo Weyerman (21), p. 33-42) aan het sodomie-onderzoek gaf, wordt jammer genoeg gemist in de lijst van gebruikte bronnen en in de beschouwing dus genegeerd.

Brugge kende een wel erg opvallende traditie van nijvere sodomieveroordelingen: in de 15e en 16e eeuw waren er liefst 111 sodomieten tot de brandstapel veroordeeld. In vergelijking met de 14 van Leuven, in dezelfde periode uiteraard, een krankzinnig groot aantal. Het wijst op een sodomie-obsessie in Brugge. Die obsessie lijkt goeddeels overgewaaid in de achttiende eeuw: het duurt immers járen voor de priester Caijetans de weg naar het gerecht vindt. Hoe hij aan zijn kennis kwam, wordt niet duidelijk. Klapte hij uit de biechtstoel?

Dat de angst voor sodomie er in de achttiende eeuw niet zo in zat, wordt ook duidelijk bij de beschouwing van de reactie van de buurt en de bekentenissen van de ‘knegtjens’. De buurt wist wel dat Jacobs een ‘vuylbaert’ was, soms werden jongens gewaarschuwd niet naar diens huis te gaan, maar de verontrustende kennis werd door de buurtbewoners onder de pet gehouden. In de bekentenissen van de jongens is de onschuld aan de macht. Jacobs assisteerde bij de masturbatie van de jongens, soms escaleerde het in de dwingende uitnodiging de blauwwerver aan zijn genoegen te helpen.

Die verklaringen van onwetendheid – de jongens wisten niet dat wat ze deden fout was – stonden in dienst van de verkleining van schuld en verantwoordelijkheid. In één van de verklaringen komt naar voren dat één jongen, die vreesde wat hem te wachten stond, zich gewapend had met een rode peper en die bij de blauwwever rectaal inbracht toen diens aanval serieuze vormen aannam. De ‘sodomie’ werd hier gereduceerd tot onschuldig spel, puberaal duw- en trekwerk.

Het schepencollege zag het niet als spel: Jacobs werd in 1781 veroordeeld tot dertig jaar gevangenisstraf, die hij moest doorbrengen in het tuchthuis van Gent. Hoe het met Jacobs afliep – ja, dood, dat weet ik wel, maar hoe, wat en waar? -, vertelt Jonas Roelens niet. Hij plaatst de bestraffing wel in verlicht perspectief: in het begin van de eeuw werden dergelijke acties nog met de dood bestraft, doodstraf maakte in de loop van de eeuw plaats voor detentie.

De geschiedenis van de Brugse blauwverver vraagt om meer bladzijden, om een heel boek!— Peter Altena

¶ Jonas Roelens, ‘‘Spaensche pepers’ en een ‘schrickelyck quaet’. Sodomie in 18de eeuws Brugge’, in: Historica 39 (2016), nr 2, p. 3-7.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *