Hutjes op de hei in de Verlichting

Van kluizenaars en heremieten in Frankrijk en Nederland

Titelvignet van Weyermans Den kluyzenaar in een vrolyk humeur (1733)

Titelvignet van Weyermans Den kluyzenaar in een vrolyk humeur (1733)

donderdag 21 juli 2016 – Eén van de begrippen die het in de achttiende-eeuwstudies helemaal gemaakt hebben, is het begrip ‘sociabiliteit’. Dat begrip heeft verheven en alledaagse invullingen gekregen: van de ideologie die wilde dat samenwerking tot intellectuele verbetering van het individu en de samenleving zou leiden tot de gedachte van ‘gezelligheid’, dat gedeelde vreugde een garantie was voor verhoging van het plezier. Op de een of andere manier leek sociabiliteit, verheven of alledaags geduid, onlosmakelijk verbonden met de Verlichting.

In de nieuwste editie van het jaarboek Dix-Huitième Siècle (jaargang 48 (2016)) is het thematisch gedeelte gewijd aan het fenomeen van ‘la retraite’, de veelal zelfgezochte afzondering. ‘Solitude dans la retraite’ staat haaks op sociabiliteit, zoveel is wel zeker en in het jaarboek wordt de ontwikkeling van het fenomeen van de vrijwillige afzondering gevolgd.

Aanvankelijk was de afzondering het domein van kluizenaars en als zodanig sterk verbonden met de religieuze ervaring. Pierre Bayle wist ook van een profane afzondering, in de locus amoenus – die overigens ook altijd smeekte om amoureus gezelschap – en het werelds otium.

De afzondering werd steeds meer een positieve keuze, in het bijzonder voor geletterden. Van 1761 dateert Épître sur l’utilité de la retraite pour les gens de lettres van Jacques Delille en de titel zegt alles: de afzondering is ook al nuttig, ofschoon in het bijzonder voor ‘gens de lettres’.

De koning van de afzondering in de Franse literatuur is zonder enige twijfel Jean-Jacques Rousseau. Hij was de ontdekker van de ‘eenzame wandeling’ en hij meed opzichtig gezelligheid. Paradoxaal gevolg was wel dat het ging wemelen van eenzame wandelaars, het werd druk in de afzondering. Het Ermenonville van Rousseau werd een bedevaartsoord. Sociabiliteit nieuwe stijl.

De vele aan de afzondering gewijde artikelen zijn divers en inspirerend. Bijzonder veel smaak vond ik een artikel van Claire Ollagnier, waarin het libertijnse ‘kleine huis’ centraal stond. De Parijse lichtmissen zochten de afzondering, zo gunstig voor het najagen van hun lusten, in een tussenwereld. Die vonden zij in de stedelijke periferie, tussen hun stadswoningen in het centrum en hun landelijke kastelen. Wat me daarbij intrigeerde, was de vraag waar ‘onze’ lichtmissen hun afzondering zochten. In Sara Burgerhart verlaat R*** met Sara de stad Amsterdam, na een pikant oponthoud in de Hortus, om uiteindelijk bij een buiten te arriveren. Geen kasteel, maar wel nabij én verwijderd van de stad.

Bij dit jaarboek moest ik onwillekeurig denken aan het heremitisme in de Nederlandse literatuur. Kiest Weyerman in zijn Rotterdamsche Hermes niet de afzondering van Kralingen en noemt hij zich in latere tijdschriften niet een heremiet en een kluizenaar? In de succesvolle jaren, die tussen de uitgave van de Rotterdamsche Hermes en pakweg 1728 liggen, afficheert Weyerman zich veelal als stedeling, als man van Amsterdam. Al blijft hij ook in die jaren van succes koketteren met de positie van nabije buitenstaander.

Bij het heremitisme gaan de gedachten verder uit naar Betje Wolff en haar schrijfkluisje en aar Rhijnvis Feith, die meer dan eens een heremiet opvoerde. Elisabeth Maria Post beschrijft in Voor Eenzaamen de ontmoeting met een schaapherder, die een hutje op de hei bewoont. Ook in het werk van Gerrit Paape zijn heel wat wijze zonderlingen te vinden. Daarbij heeft Paape oog voor de kloosterlingen die een vrijwillig isolement verkiezen. Interessant worden die zonderlingen als zij spreken met degenen die ontsnapt zijn aan de wereld van de gezelligheid, als de eenzaamheid botst met de gezelligheid.— Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *