Vraagtekens

Over ‘De hoofdige boer’ van A.C.W. Staring (1)

Het kerkje in Almen

Het kerkje in Almen

woensdag 10 augustus 2016 – In de buurt van Zutphen is ‘de hoofdige boer’, zoals de Gelderse dichter Staring die in een gedicht ten tonele voerde, een goede bekende. Als was het maar omdat er in het piepkleine Almen – even Zutphen door, dan via Warnsveld en een bospad, kan moeilijk missen, ja daar is het kerkje van Almen – een uitspanning is die de naam ‘De hoofdige boer’ draagt en via een plaquette herinnert aan het gedicht van Staring.

Toen ik de uitspanning – ‘een landhotel’- een paar jaar geleden bezocht, met de fiets via Warnsveld enzovoort, werd me op het terras verteld dat Mathijs van Nieuwkerk en Adriaan van Dis er wel eens kwamen en aten. Tja!

Al enige jaren staat het gedicht van Staring in de examenklassen op het programma en ieder jaar weer reikt het vooral mij vraagtekens aan. Ieder jaar ook moet ik strijden tegen de gedachte dat het nogal een flauw vers is – ‘Jaromir’ is veel beter, de natuurgedichten ook, waarom lezen we die niet? – en ieder jaar ook verplichten de vraagtekens me om dat niet hardop te zeggen. Als ik het gedicht niet helemaal begrijp (of dat vrees), mag ik het niet veroordelen.

Voor de leerlingen wordt het gemakkelijk gemaakt: het gedicht dateert van de negentiende eeuw, de eeuw van de Romantiek en het gedicht draagt dús de kentekens van die Romantiek. Wat leerlingen moeten weten, is wat de romantische kenmerken zijn van ‘De hoofdige boer’. Een nogal flauwe exercitie, vind ik. Maar leerlingen vinden mijn geproblematiseer – enerzijds, anderzijds – veel irritanter en dus rond ik mijn getob voor de klas af met een paar krachtige standpunten over het romantisch gehalte van het gedicht, waar ik zelf niet in geloof.

In veel van het literatuuronderwijs domineert het reductionisme: teksten zijn ‘illustraties’ geworden, een sonnet van Hooft laat zien wat petrarkisme is, Vondel is een voorbeeld van, Wolff en Deken zijn representanten van, Willem Kloos is een duidelijk voorbeeld van. Ja, zo gaat het, het past allemaal in schema’s, maar het inspireert maar een fractie van een seconde.

almenHoe zit het dan met ‘De hoofdige boer’ van Staring? Ik ontleen de tekst aan de herdruk van zijn Verzamelde gedichten uit 1981, zoals die verscheen bij de Zutphense boekhandelaar-uitgever A.P. ten Bosch. Die herdruk is een herdruk van de Volksuitgave van 1869, vermoedelijk voorafgegaan door een minder volkse uitgave van omstreeks 1861. Er is in de herdruk een oude inleiding van Nicolaas Beets uit 1861 opgenomen en ook nog een nieuwe. In die inleiding bij de 1981-herdruk worden wat obligate woorden over de ‘actualiteit’ van de ‘fijnzinnige woordkunstenaar’ Staring gesproken, woorden die mijn onmiddellijk wantrouwen wekken. Staring actueel? Goddank niet!

De lectuur van Staring wordt in de inleiding daarenboven gepresenteerd als een antidotum dat kan helpen bij de bestrijding van het ‘super-slordig taalgebruik dat tegenwoordig zelf bij akademisch gevormden in zijn knarsende ellende valt waar te nemen’. Het is 1981 en de meeste ‘knarsende ellende’ moest nog komen.

Staring wordt gepresenteerd als ‘een kind van zijn tijd’, een man van twee eeuwen en twee tijdperken, aan de ene kant het ‘praktisch idealisme van de Verlichting’, aan de andere kant ‘de Romantiek’.

In de Verzamelde gedichten is aan het slot wel een reeks ‘Aanteekeningen’ te vinden, maar die notities van Staring zelf beperken zich tot de historische achtergronden van zijn gedichten. Bestaande en op schrift gestelde Interpretaties van het gedicht ‘De hoofdige boer’ zijn mij niet bekend. Jaar en plaats van eerste publicatie van het gedicht ken ik (nog) niet.— Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *