In het spoor van John Gabriel Stedman (2)

Bampfylde Moore Carew (1690-1758). Olieverfschilderij door Richard Phelps, 1750 Bickleigh Castle, Bickleigh.

Bampfylde Moore Carew (1690-1758). Olieverfschilderij door Richard Phelps, 1750.

vrijdag 4 november 2016 – Bampfylde Moore Carew stamde uit een oud en vermogend geslacht, dat in Devon grote landerijen bezat en ook het nog altijd bestaande Bickleigh Castle bewoonde.

Bampfylde is een soort volksheld geweest. Geboren in Bickleigh leidde hij het leven van een avonturier en practical joker, precies het soort bestaan waardoor John Gabriel Stedman zo was gefascineerd.

Uit Stedmans memoires blijkt zijn fascinatie voor enkele personages uit destijds immens populaire Engelse romans, namelijk Tom Jones van Henry Fielding en Roderick Random van Tobias Smollett. Deze romanhelden waren jonge mannen die een leven vol bravoure, amoureuze betrekkingen, armoede en allerhande tegenslag leidden, maar uiteindelijk dankzij hun nobele inborst goed terecht kwamen.

Maar er was nog iemand die Stedman hogelijk bewonderde en dat was deze Bampfylde Moore Carew. In tegenstelling tot Tom Jones en Roderick Random heeft Carew werkelijk bestaan. Hij leefde van 1690 tot 1758 (en niet van 1693 tot 1759 zoals Wikipedia wil) en werd begraven in Bickleigh.

Bampfylde, zoon van een predikant, bleek een uitmuntende leerling op de beroemde en nog altijd bestaande school van Tiverton, Blundell’s School. Maar hij liep weg en sloot zich aan bij een groep zigeuners. Hierop volgde een avontuurlijk bestaan in Europa en in Noord-Amerika, waar hij onder de indianen leefde en waar hij zich bedelend en fabulerend door het leven sloeg. De man moet hebben beschikt over een onvoorstelbaar acteertalent. Verkleed en wel en zich mimisch en verbaal aanpassend manifesteerde hij zich onder andere als een rattenvanger, een failliete schoenmaker, een eenbenige bedelaar, een verdwaasd grootmoedertje, een zeepzieder, een vetweider, een verongelukte zeeman en een kreupele tinnegieter. Ook als Quaker en als Presbyteriaanse dominee wist hij aan de kost te komen.

Teruggekeerd in Europa vestigde hij zich in Bickleigh bij zijn familie. In 1745 publiceerde hij zijn memoires The Life and Adventures of Bampfylde-Moore Carew. Hoezeer fictie en realiteit dooreen liepen blijkt wel uit de uitgaven van dat boek. In de eerste drukken trekt de uitgever een parallel tussen het leven van Bampfylde en dat van Tom Jones. In latere drukken komt hij daarop terug en deelt hij mee dat Bampfylde werkelijk bestaat. Hij schreef daarover: ‘Nothing can be more absurd than a comparison between a real and fictitious character; between a person well known to hundreds of people, and a character wich never existed but in the imagination of the author’.

Bampfyldes boek werd een bestseller en beleefde binnen een halve eeuw dertig edities. In Bickleigh en Tiverton zullen dertig jaar na zijn dood, toen Stedman hier woonde, nog verhalen de ronde hebben gedaan. Stedman moet goed op de hoogte zijn geweest van het leven van deze avontuurlijke anarchist met het hart op de goede plaats – ook verheerlijkt in talloze pamfletten. Hij vergelijkt de haveloze troepen, die hij in 1776 in de jungle bij de Sociëteitspost La Rochelle in Suriname aantrof, deze uitgemergelde, zwart verbrande en ‘ragged taterdemalions’, blootsvoets en zonder hoed, met een troep zigeuners onder Bampfylde.

Het leven van deze avontuurlijke figuur sprak Stedman zo zeer aan dat hij op dezelfde begraafplaats ter aarde besteld wilde worden. Zo is het daadwerkelijk ook gebeurd, het kerkregister en enkele aanwezigen getuigen daarvan. Maar zoals de plek waar Stedman oorspronkelijk begraven werd niet meer bekend is, zo is ook Bamfyldes laatste rustplaats onvindbaar. Die zou naast de entree van het kerkje zijn geweest, maar daar ligt de tombe van iemand anders. Is Bampfylde geruimd, verplaatst, overwoekerd? Plaatselijke historici tasten in het duister.

Bampfyldes portret kennen we wel. Als titelprent in zijn autobiografie. En zowel in het Tiverton Museum of Mid Devon Life, als in Bickleigh Castle hangt een exemplaar, geschilderd door Richard Phelps in 1750. – Roelof van Gelder

Zie ook deel 1 van ‘In het spoor van John Gabriel Stedman’.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *