Idolatrie van toen

Rick Honings over literaire roem in de negentiende eeuw

de-dichter-als-idoolvrijdag 2 december 2016 – Ruim twee weken heeft Rick Honings mij onderhouden met zijn boek De dichter als idool. Literaire roem in de negentiende eeuw. Het gaat over de manier waarop Nederlandse dichters hun imago vorm gaven en hoe lezers en anderen in de ban raakten van hun dichterlijke idool. Hij beschrijft hoe Bilderdijk, Borger, Tollens, Beets, HaverSchmidt en Multatuli zich modelleerden of – bijvoorbeeld bij Borger en HaverSchmidt – gemodelleerd werden, zodat er een beeld ontstond dat zich in het geheugen van de tijd nestelde en fanvorming uitlokte.

Voor Honings hangt de ‘beroemdheidscultus’, zoals hij het begrip ‘self-fashioning’ bepaald niet correct vertaalt, samen met de Romantiek. In de tijd van de Romantiek – gevoel! verbeelding! – mochten dichters zich excentrieker gedragen en werden zij eerder op een voetstuk geplaatst. In de Verlichting heerste de ratio en bijgevolg was er minder zin in standbeelden.

Het rijke boek van Honings, vlot geschreven, heb ik op twee manieren gelezen. Om te beginnen als een lezer met een belangstelling voor de literatuur van de negentiende eeuw. Die lezer is volop aan zijn trekken gekomen. Met zachte ironie wordt Bilderdijks faamvorming beschreven, met lichte irritatie wordt Multatuli op de voet gevolgd. Onwillekeurig nam ik het al lezend voor Multatuli op, stiekem verlangde ik naar een groot boek over Multatuli’s manipulaties, met lekker veel citaten. Eén regel Multatuli is beter dan een bladzijde Bilderdijk. Interessant vond ik hoe Borger en HaverSchmidt haast onbedoeld roem vergaarden. Bij HaverSchmidt bleef de roem langdurig binnen de Leidse wallen.

Het boek van Honings heb ik ook gelezen als het boek dat het niet is. Als een boek over ‘self-fashioning’ en ‘celebrity’ in de achttiende eeuw. Begrijpelijkerwijs maakt Honings vooral werk van zijn negentiende eeuw, maar dat maakt ook dat hij de voorafgaande eeuw minder scherp ziet.

De tegenstelling tussen achttiende en negentiende eeuw verschijnt bij hem erg schematisch: verstand-gevoel. Mij dunkt dat hij zo ook de ‘beroemdheidscultus’, zoals die ontstond rondom Jacobus Bellamy en Betje Wolff over het hoofd ziet.

Betje Wolff krijgt terloops enige aandacht als het gaat om ‘de vrouwelijke stem’, maar in de context van Honings’ boek is het van meer belang te wijzen op haar ‘stalkers’. In de brieven, die zij ontving, tekent zich een patroon af van mateloze bewondering door jonge lezeressen. In het bijzonder Pim van Oostrum heeft in het verleden voor dit fenomeen aandacht gevraagd. Wolff trok de aandacht van eigentijdse paperazzi, Van Ollefen volgde op een afstandje de bewegingen van de bewonderde dichteres in haar Beverwijkse kluisje en schreef daar een dubieus boekje over.

Bellamy was een ‘ster’ in de Utrechtse revolutie! Zijn begrafenis werd een evenement. Als ik in Utrecht kom, groet ik altijd even de gevelsteen. De herinnering aan hem werd levend gehouden, zelfs in ongunstige (van politiek warse) tijden.

In de Bataafse Revolutie bereikten ook politici de status van beroemdheid: Paape, die eigenlijk alleen fans onder feministen had, trad met zijn portretje toe tot het ‘Vaderlandsche Chocolaad’, een klein patriots en Bataafs Pannetje. In die dagen waren zoveel mensen beroemd dat er geen beginnen aan was. —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *