‘Door duistre jaren zwerven’?

Bij het einde van de werkgroepen achttiende en negentiende eeuw

dinsdag 13 december 2016 – Ze schijnen te bestaan, mensen die zich aansluiten bij rouwstoeten terwijl zij de betreurde niet kennen. Zin in koffie en cake is niet hun beweegreden, het is een macaber spel om na afloop de onbekende dode te prijzen en ongekende herinneringen op te halen.

Afgelopen vrijdag 9 december bezocht ik het congres van de Werkgroep 19e eeuw – als belangstellende, haast ik me te zeggen – en zonder waarschuwing vooraf zette de voorzitter van de Werkgroep een streep onder zijn eigen Werkgroep. In de pauze die volgde, waren er broodjes en koffie en ik bevond me ineens in een verdwaasd gezelschap van rouwenden. Voorzichtig haalde ik herinneringen op aan de vergaderingen van de Werkgroep – een drietal heb ik bijgewoond, eentje lang geleden in Alkmaar – en aan de zo rijke nummers van De Negentiende Eeuw. Hoewel ik de betreurde dus een beetje kende, waande ik me in het middelpunt van een macaber spel.

De Werkgroep en het tijdschrift waren dood, maar na de dood was er ander leven. Een nieuwe vereniging zou zich richten op de moderne tijd, de periode 1780-1940, en het tijdschrift zou vanzelfsprekend nog mooier worden. Vergelijkbare geluiden begeleidden de teraardebestelling van de Werkgroep Achttiende Eeuw. Omdat ik die betreurde nog beter kende, heb ik destijds de reis naar de opheffing aan me voorbij laten gaan. Te pijnlijk! Ik zou ongezellige dingen hebben gezegd.

Biedt het gedicht van Henriette Roland Holst-van der Schalk, dat ik vandaag in mijn zesde klas las (‘Op de kentering der tijden geboren’), een scherper inzicht? Begrip?

Is het einde van de werkgroepen, die zich richtten op de achttiende en negentiende eeuw, eigenlijk erg? In het befaamde vers van Roland Holst gaat het om een meervoudig aantal ‘makkers’, aan wie wordt voorgehouden dat ‘we’ zijn geboren ‘op de kentering der tijden’. In onze ogen zijn er ‘nog de ondergangen van de oude werelden die verbleeken’. Het ‘nieuwe land waarheen wij ijlen’ ligt aan de overzijde. In ons is er een tweedracht ‘van verlangen naar droomen van weleer, die wij verloren’ en ‘naar de nieuwe, wier vleugels openbreken’. Tussen het verloren oude en het nabije, maar nog niet verschenen nieuwe liggen ‘duistre jaren’.

Kijk, tante Jet geloofde nog hartstochtelijk in de komst van een betere wereld, voor haar volgden op de zwerftochten ‘door duistre jaren’ eeuwen van licht en geluk. De leden van de Werkgroep 19e eeuw die ik vrijdag sprak en zag, kenden niet de genade van dat vooruitgangsgeloof. Hun geheugen was nog goed en hun scepsis groot.

De eeuwen blijven niet onbeheerd, maar de gouden decennia van de bestudering van de cultuur van de achttiende en negentiende eeuw zijn voorbij. Het valt niet mee om minder te verkopen als meer en beter.

In de komende jaren zal moeten blijken of de verzamelde jaargangen van de tijdschriften over de achttiende en negentiende eeuw verworden tot onbezochte mausolea. Wie beheert de boedel van de werkgroepen? Gaan de nieuwe werkgroepen zich nóg sterker academiseren: een steeds nauwgezetter aansluiting bij internationale ‘discoursen’, steeds minder lezers en bij de congressen geen normaal mens meer te bekennen? Gaan de tijdschriften zich dood-‘peeren’? Misschien horen deze vragen bij de ‘duistre jaren’, waarvan we zojuist het begin hebben beleefd. En past ons een hoopvol ‘ijlen’? —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Één reactie op ‘Door duistre jaren zwerven’?

  1. Ivo Nieuwenhuis schreef:

    Voor alle duidelijkheid: de Werkgroep 18e Eeuw bestaat nog gewoon en heeft ook niet de intentie zichzelf op te heffen. Over de nieuwe koers die zij onlangs is ingeslagen kunnen we uiteraard van mening verschillen…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *