Theatrale processen

Slavernij voor het gerecht en op het toneel

woensdag 4 januari 2017 – Met enige regelmaat escaleert de aandacht voor het slavernijverleden in onzin waarbij de goede bedoelingen het winnen van de feiten.

Onlangs las ik dat zelfs Michiel de Ruyter in de beklaagdenbank plaats moest nemen. Ook hij! Ook hij had zich schuldig gemaakt aan slavenhandel. Bij nader inzien bleek hij weliswaar in de zee gevaren te hebben waar de schepen met slaven ook voeren, maar van betrokkenheid bij de handel was geen sprake.

Als feiten niet meer tellen en iedereen maar wat mag roepen, dooft het licht. In duisternis zijn ook de zwarte bladzijden niet meer te onderscheiden. In het Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis schrijft Gerhard de Kok in zijn artikel ‘Cursed Capital. The Economic Impact of the Transatlantic Slave Trade on Walcheren around 1770’ verhelderend genoeg over de slavenhandel.

De verontwaardiging over het slavernijverleden heeft in Nederland al tot gedenktekens geleid. Soms wordt er aangedrongen op excuses – de daders zijn dood, de slachtoffers ook – en dan weer op herstelbetalingen. In De Ware Tijd was een paar jaar geleden sprake van dergelijke vergoedingen, te betalen door westerse landen (Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland) in verband met het ‘leed aangedaan tijdens de slavernij’. Een Nederlandse advocate schatte dat er een verregaande ‘vorm van genoegdoening’ nodig was, maar een rechtszaak was moeilijk: ‘Niemand die direct met slavernij te maken heeft gehad, is nog in leven, dat maakt de lijnen dun’.

Aan deze geschiedenis moest ik denken na de lectuur van een bijzonder interessant artikel van Sarah Adams en Kornee van der Haven over het toneelstuk Kraspoekol van Dirk van Hogendorp, onder de titel: ‘Er is geen recht voor ons …’. Van Hogendorps abolitionistische toneelstuk Kraspoekol (1800) als proces tegen de slavernij’, het artikel verscheen in het tijdschrift Internationale Neerlandistiek.

Uitgangspunt van de analyse is de vergelijking en vergelijkbaarheid van toneel en rechtspraak. Bij toneelstukken vormen de toeschouwers als het ware de jury. De uiteenlopende standpunten worden door diverse personages uitgedragen – pleiters, getuigen, aanklagers – en daarbij worden klassieke retorische middelen gebruikt, maar ook de strategie van de emotionalisering.

Adams en Van der Haven laten zien dat het publiek een relatie moet leggen tussen de universele mensenrechten en persoonlijke verantwoordelijkheid. Comfortabele keuzes zijn er niet in de schouwburg. Of toch wel? Doorgaans laat de toneelschrijver of de regisseur niet helemaal in het midden wat het publiek moet voelen en besluiten.

In publieke debatten zijn bijna alle ingenomen standpunten comfortabel: ze raken zelden een eigen verantwoordelijkheid, maar gaan doorgaans over ‘hullie’ en de ‘hoge heren van Den Haag’.

Een andere fraaie les die het artikel van Adams en Van der Haven leert, geldt het gevaar van die vergelijkbaarheid van toneel en rechtspraak. In het toneelwerk van Herman Heijermans ligt de vergelijking met processen voor de hand; bekend is de anecdote van het publiek dat na afloop van de voorstelling de ‘bad guy’ bij de artiesteningang opwachtte. Als toneel als rechtspraak gaat gelden, is prudentie van belang. Als rechtspraak theatraal wordt – en de mediagenieke strafpleiters bouwen de rechtszaal uit door in babbelprogramma’s hun licht te laten schijnen -, dan is de esthetisering van de rechtspraak een logisch vervolg.—Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *