Het windtjen plooit

Bilderdijk en Luyken bij Hugo Claus

woensdag 22 februari 2017 – Een week geleden kocht ik De Vijanden van Hugo Claus. 12 euro. Een roman, eh ‘een cinéroman’ uit 1967. De roman opent als een film, met een opsomming van de ‘credits’: de naam van producent Jan Vrijman, de namen van de acteurs. De naam van Hugo Claus staat op het omslag, maar volgens de ‘credits’ is hij verantwoordelijk voor het scenario en de dialogen. Ook geldt hij als de regisseur.

In meer romans van Claus lopen de genres door elkaar: in het toneelstuk Pas de deux oefenen de hoofdpersonen voor een toneelstuk, in De koele minnaar bevinden de personages zich op de filmset. In De Vijanden lopen diverse verhalen door elkaar: de geschiedenis van een drietal ontheemden tussen twee fronten in de Ardennen – een Antwerpse jongen, een Amerikaanse militair en een Duitse chauffeur -, de geschiedenis van de verfilming en een beeldverhaal van beide geschiedenissen in foto’s.

Bij Claus is dat geen vervreemdingseffect meer, het ìs vervreemding. Werkelijkheid en spel lopen onophoudelijk door elkaar. Op een bepaald moment ontmoet het drietal in de nepsneeuw een groep deserteurs onder leiding van de onvermomde Antwerpse dichter H.C. Pernath, een generatiegenoot van Claus.

In het landschap, waar het trio een goed heenkomen zoekt, vinden zij af en toe dorpjes, bevolkt door lieden die allemaal aan het volkstoneel verbonden zijn. Het is allemaal toneel! Én werkelijkheid.

In de beschrijving van de gebeurtenissen zijn ook enkele citaten van klassieke Nederlandse dichters te vinden. Hoofdstuk 18 opent als volgt:

De naare schaduw is aan ’t breeken Terwijl de schone Morgenster zijn blinkende hoofd komt op te steeken, en Mike kijkt op van de bevredigd glimlachende boerin (…).

Mike, de Amerikaanse soldaat, en de boerin detoneren in het gezelschap van de brekende schaduw en de Morgenster. Het begin van het citaat is dan ook van Jan Luyken.

Hoofdstuk 22 bevat iets soortgelijks:

Wat is het stil. Het windtjen plooit zijn vlerkjens toe en speelt met blad noch blom. Twee tanks zijn uitgebrand, (…).

De uitgebrande tanks maken een absurde entree in het gezelschap van het ‘windtjen’. De regels met de ‘vlerkjens’ zijn dichtregels van Willem Bilderdijk.

Het gelijktijdig optreden van kunstvormen – film, toneel, foto’s en oude letteren – maakt van De Vijanden een vervreemdend ‘Gesamtkunstwerk’, waarin kunst en leven elkaar afwisselen en accentueren.

Wat me intrigeert, is de vraag hoe Claus kon beschikken over regels Luyken en Bilderdijk. Hoewel Claus ‘kolossaal belezen’ was, ligt het voor een experimentele dichter niet voor de hand om Luyken en Bilderdijk ter hand te nemen. Stonden beide gedichten misschien in een bloemlezing literatuur, die Claus op school moest lezen? —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *