De brieven van Van der Capellen en Racer

Verscherpt zicht op botsende en overeenkomende belangen

vrijdag 3 maart 2017 – In Oldenzaal staat het Racerhuis en sinds 2011 een beeld van mr Jan Willem Racer (1736-1816). In Zwolle, in het Stedelijk Museum, wordt een portret van hem bewaard. Beeld en portret laten hem kennen als een strenge man, als beeld heeft hij zelfs een hooghartig kinnetje en op het portret lijkt hij wat betweterig op papieren bewijsstukken te wijzen.

Racer kwam veel beter nog in beeld dankzij een omvangrijk artikel van Matthijs A.M. Wanrooij in de recent verschenen editie van Overijsselse Historische Bijdragen (131e stuk, 2016), getiteld ‘Jan Willem Racer en zijn relatie met Joan Derk van der Capellen tot den Pol’. De titel van het artikel klinkt betrouwbaar, maar niet erg wervend. Wie echter de eerste bladzijden van de beschouwing van Wanrooij gelezen heeft, is onherroepelijk verloren en veroordeeld tot verder lezen.

Wanrooij analyseert de epistolaire verhouding tussen de Oldenzaalse jurist Racer, man van Oranje en met principes, en Capellen. Dat lijkt overbodig, omdat hun briefwisseling al wel eerder voorwerp van studie is geweest.

Met grote nauwgezetheid geeft hij de brieven die in het verleden door De Beaufort en Sillem gepubliceerd zijn een nieuwe volgorde en een nieuwe betekenis. Eén brief van Capellen, nadien gedateerd op 1781 en zogenaamd gericht tot Racer, is volgens Wanrooij feitelijk van later datum en gericht tot Gerhard Dumbar. De herschikking van Wanrooij is zéér overtuigend. Behalve van de inhoud maakt hij daarbij gebruik van de aanhef van brieven: in een bepaalde correspondentie heerst een bepaalde aanhef en pas na verloop van tijd kan dat veranderen, om die reden is een zeer vriendschappelijke aanhef moeilijk te rijmen met een daaropvolgende reeks brieven met dezelfde formele aanhef.

De magistraat van Oldenzaal was al veel langer ontevreden over de achterstelling van de kleinere steden van Overijssel en de jurist ‘in town’, mr Jan Willem Racer van onbesproken gedrag, werd gevraagd om eens uit te zoeken hoe kleine steden als Enschede en Oldenzaal hun rechten eigenlijk hadden verloren. Hij kweet zich voorbeeldig van zijn taak, de resultaten zijn vastgelegd in 8 delen Overysselsche Gedenkstukken (1781-1797). Oldenzaal kreeg wat het gevraagd had, munitie om in de Staten eisen te stellen.

Joan Derk van der Capellen tot den Pol leefde al langer in onmin met de Staten van Overijssel. Zijn kritiek op de in Overijssel blijkbaar gebruikelijke drostendiensten – boeren waren verplicht om niet diensten voor de drost uit te voeren – had hem in ernstig conflict gebracht met de Staten, het had ook geleid tot een persoonlijke vendetta met de drost van Twente, Van Heiden Hompesch. Om zijn kritiek op de drostendiensten historisch te funderen vroeg hij Racer om raad.

Dat verzoek moet Racer niet alleen gevleid hebben, maar ook in verlegenheid hebben gebracht. Hij wilde als Oranjeman niet graag verdacht worden van sympathie met Capellen, maar een verzoek, dat ogenschijnlijk slechts technisch van karakter was – vonden de drostendiensten een rechtvaardiging in oude privileges -, kon hij moeilijk weigeren. Hij weigerde dan ook niet.

Dankzij het speurwerk van Racer behaalde Capellen de overwinning in de Staten, maar van een rehabilitatie van de kleine steden was het niet gekomen. Capellen wees Racer erop dat de grote steden van Overijssel dwars lagen, maar na een hartstochtelijk pleidooi van Racer deed Capellen wel meer zijn best in de Staten.

Toen Capellen stierf, was Racer niet meer de oude Racer. Hij werd in Oldenzaal intussen beschouwd als patriot, zijn historisch-juridische benadering had hem, per ongeluk haast, in het kamp van de Capellen verzeild doen raken.—Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *