Voetnoot (1)

Hoe goed was het geheugen van Weyerman?

donderdag 9 maart 2017 – Nu en dan, als de tijd het toelaat, lees ik een aflevering van een van de periodieken van Weyerman. Vaak levert dat vragen (en mogelijke antwoorden) op die niet in een Mededelingen-waardig artikel om te zetten zijn, maar die ik toch ook niet voor mezelf wil houden.

Ik hoop, al zal dat niet met regelmaat zijn, af en toe wat van mijn voetnoten bij het werk van Weyerman aan de redactie van de site te kunnen leveren. Jan Bruggeman, die wezenlijk aan de tekst van vandaag heeft bijgedragen, lijkt ook enkele van zulke bijdragen te gaan leveren, en als anderen hun opmerkingen over het werk van Weyerman op deze manier willen publiceren, dan juichen wij dat uiteraard toe.

Vandaag wil ik wijzen op twee passages in de Rotterdamsche Hermes. In de eerste nummers verwijst Weyerman tweemaal naar een Italiaanse dichter zonder die bij naam te noemen. In nummer 5 (27 september 1720) schrijft hij:

En of schoon ons Aristoteles tracht te proberen dat het Zeediep zoet, en het bovenste zult is, d’ervarenheit heeft Hermes altoos een tegenstrydige waarheit doen zien: want als Myn Heer de Dolfyn aan Madame de Dolfine is vastgekleeft door het matrimonieele lympotje, is ‘er noit rust, zelfs niet als hy slaapt: waarom een Italiaansch Dichter aardig zingt:
E dormendo riposo ancor non have.
Zelfs in den slaap kan hy geen rust genieten.

In nummer 7 (4 oktober 1720) houdt hij het wederom anoniem:

Het eerste brengt hem in geheugen eene volgeestige gedachten van zeker Italiaansch Dichter, welke gelooft, dat Natuur badinerende haar vermaak neemt om die persoon (dat is de konst) naar te bootsen die alle zyne glorie stelt om haar naar te bootsen:
Di natura arte par, che per diletto
L’imitatrice sua Scherzando imiti.

Ik begon met de vraag welke dichter(s) Weyerman hier citeerde. Dankzij internet is de auteur van een citaat meestal eenvoudig te traceren. Die van het tweede citaat had ik inderdaad zó gevonden: de zin komt uit de Gerusalemme liberata, een omvangrijk gedicht van Torquato Tasso (1544-1595), dat een grote populariteit genoot. Van het eerste citaat kon ik de Italiaanse auteur niet vinden, maar Jan Bruggeman hielp me ermee. Het komt óók uit de Gerusalemme liberata van Tasso, maar het is verkeerd geciteerd: het had ‘E riposo dormendo ancor non have’ moeten luiden.

De ene vraag riep de andere op. Was Weyerman hier zomaar vergeten van wie hij werk gelezen had? En speelde zijn geheugen hem ook parten bij de woordvolgorde van het eerste citaat?

Dat Weyerman tweemaal verzuimde Torquato Tasso of zijn Gerusalemme te noemen, is des te vreemder omdat hij één bladzijde na het eerste citaat Tasso wél noemt, en zelfs refereert aan een scène uit de Gerusalemme Liberata. Iets vergelijkbaars doet hij ook op bijvoorbeeld p. 14 van deel 2 van de Amsterdamschen Hermes.

Dat Weyerman incorrect citeert leverde echter een onverwacht inzicht op. Ik vond het citaat met dezelfde omkering uitsluitend in Les Entretiens d’Ariste et d’Eugene, een werk met zes essays van Dominique Bouhours (1628-1702). Ook dat werk was redelijk populair. Bouhours publiceerde het in 1671, het kende diverse herdrukken, en er verscheen ook een duidelijk aangepaste ‘nouvelle édition’.

Het bijzondere is dat beide Italiaanse citaten er in staan (op p. 42 resp. p. 12), dat Bouhours beide citaten op naam stelt van ‘un Poëte Italien’, én dat de zinnen die aan beide citaten vooraf gaan bij Bouhours een grote gelijkenis vertonen met de zinnen die er bij Weyerman direct vóór staan.

Voor mij is het duidelijk: Weyerman citeerde niet uit zijn geheugen, waarbij hij de auteur van zijn citaten kwijt was, maar hij liet zich inspireren door fragmenten uit de Entretiens van Bouhours.

Maar met deze nieuwe Weyerman-bron duikt weer een nieuwe vraag op: Bouhours was een jezuïet, en over jezuïeten liet Weyerman zich doorgaans heel negatief uit. Wist Weyerman dat Bouhours een jezuïet was? Een mogelijk antwoord op die vraag is dat dat voor hem van ondergeschikt belang was. Frans Wetzels wees er al op dat Weyerman in 1715 en 1717 twee kinderen bij de Bredase jezuïeten liet dopen: Weyerman was in het dagelijks leven kennelijk pragmatischer dan in zijn geschriften.

Met het geheugen van Weyerman was, zoals wij eigenlijk al wel wisten, dus niets mis, maar deze passages uit de Rotterdamsche Hermes wijzen ons wel de weg naar een titel die nog niet eerder als onderdeel van de bibliotheek van Weyerman was herkend. —Jac Fuchs (met dank aan Jan Bruggeman, Riet Hoogma en Antiquariaat Fragmenta Selecta)

Literatuur
Elly Groenenboom, De Rotterdamse Woelreus De Rotterdamsche Hermes (1720-1721) van Jacob Campo Weyerman: Cultuurhistorische verkenningen in een achttiende-eeuwse periodiek (Amsterdam 1994)
Frans Wetzels, De vrolijke tuchtheer van de Abderieten Jacob Campo Weyerman (1677-1747) in Breda (Amsterdam 2006), met name p. 75 en 179-189.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Één reactie op Voetnoot (1)

  1. Peter Altena schreef:

    Bravo!
    Een andere jezuïet die in het kader van de Weyermanstudie aandacht vraagt, is Balthasar Gracian. Voor Houbraken was Gracian een absolute autoriteit – in zijn schilderlevens, in het bijzonder in de Weyermanbiografie citeert hij Gracian met graagte -, wat Weyerman in zijn aemulatio, de schilderlevens uit 1729 en later, een spottende opmerking ontlokt: die Houbraken altijd met zijn Gracian. Vermoedelijk kende ook Weyerman zijn Gracian.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *