Reisverslagen uit de anonimiteit (2)

Een reisje door Gelderland

Sonsbeek (Foto: Michiel Verbeek).

woensdag 12 april 2017  Eerder schreef ik over enkele aangetroffen reisbeschrijvingen, zogenoemde verdwaalde stukken in het archief van De Gelderse Bloem en beloofde er nog een. Bij dezen.

Ruim een reisweek – van 2 juni tot 11 juni 1797 – had ene Charles Watering nodig om Geldersen, Hollanders en Klevenaren te karakteriseren. Vier pagina’s regelmatig handschrift voldeden.

In een gezelschap van leden van de families Andres en Van de Poll vertrok Watering op zaterdag 2 juni vanuit Amsterdam met de nachtschuit op Utrecht. Vandaar namen de reizigers de postwagen naar Arnhem. Te paard verkenden ze de omgeving.

Charles’ tempo en emoties hielden gelijke tred: ‘Dieren is totaal door de franschen afgebrand, er staat niets als muuren; te Brummen gegeeten hebbende, vandaar op de Velpsche kermis ons geamuseerd en over Roosendaal geretourneerd. – Dingsdag gegeeten by Juffr Andres, de zuster van Holtkamp en ’s middags met de Jonge Jufrouw Andres gewandeld na Sonsbeek, het buitengoed van Pronck, doch t’welk nu om schulden verkogt word, een superbe plaats’.

Vervolgens koerste het gezelschap in een hoog tempo richting Kleef en deed onderweg andere buitens en plaatsen aan.

Watering onderscheidde op zijn reis ‘3 hoofdsoorten der menschen’. Ik citeer en parafraseer er twee in een bloemlezing. ‘De hoofdtrek der Hollanders is eigenbelang uit winzucht spruitende van de morgen tot den avond zwoegende, en ploegende om hunne geldkist te vermeerderen, hebben zy geen gevoel voor ’t waare genot der Maatschappelyke verkeering. Hunne vermaken zo zy die neemen, brengen in hun hart niet die waare aandoeningen van geluk voort als wel in andere menschen’. Hollanders hebben kleine vriendenkringen, hun beleefdheid houdt op bij de voordeur. En zo typeert Charles koude, gevoelloze Hollanders [lees: Amsterdammers] nog even verder.

Nee dan de Geldersen, die zijn niet ‘zo veel aan hunne affaire geattacheerd’. Ze doen alles om het een ander naar de zin te maken, ze combineren werk en plezier en: ‘hunne vriendschap is gul! doch zy dringen dezelve niet op. ’t Is iemands eigen schuld indien hy van hunne aanbiedingen geen gebruik maakt. Hunne gezelschappen zyn niet styf, er heerschen geen etiquettes of kwaadspreekende tongen […]. Eene ware bonhommie vereenigd hun, geene politique questien verwyderen hun […], doch nulla regula sine exceptione’. Nogmaals: Watering zegt het.

Waarom die zure opmerkingen over Hollanders? Op het eind van het verslag komt de aap uit de mouw. Wie Charles Watering, aan wie het reisverslag vragenderwijs wordt toegeschreven, is weet ik niet. Wel dat hij een jongeman is die bijna vier jaar in Amsterdam woont. Wat hem in die tijd ‘meenigmaal chagrineert’ is dat hij niet het geluk heeft gehad ‘om zig in goede gezelschappen of families te formeeren en wat is nuttiger voor een Jong mensch als een verkeering in een gezelschap van mannen die ondervinding hebben van vrouwen die Deugd en een goed hart bezitten’.

Charles zocht vergeefs naar ‘eene aangename conversatie in een goede burgerlyke famille kring’. Maar ondanks de nabijheid van ongevoelige ‘medemenschen’ hoopt Charles met zijn ‘genie voor de Negotie’ het geluk in Amsterdam, ‘Stad van Negotie’ te beproeven. Zou het hem gelukt zijn? – Pieter van Wissing.

Bron: Gelders Archief, Collectie handschriften (blok 0508), inv.nr. 443 (hs.); idem: Archief van de Stichting De Gelderse Bloem (blok 0629), voorlopig inv.nr. 109 (transcriptie).

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *