Vergiste Juvenalis zich? Is Weyerman een ‘plompe knuppel’?

Theodor Adorno over de satire

dinsdag 30 mei 2017 – In de Tweede Wereldoorlog begon Theodor Adorno met Max Horkheimer aan zijn aanval op de Verlichting, de Dialektik der Aufklärung. Het boek kwam uit in 1947, precies zeventig jaar geleden, bij uitgeverij Querido. Het is moeilijk om de eenzijdige visie, onder dialectisch dekmantel, los te zien van het trauma van de Tweede Wereldoorlog. Wie of wat was schuld aan het totalitaire bewind dat voor een verschrikkelijk bloedbad had gezorgd?

Ook in zijn Amerikaanse ballingschap, in vrijwel dezelfde jaren, werkte Adorno aan zijn Minima Moralia. Nu en dan blader ik in het boekje met korte kritische notities, zeer erudiet en altijd van een verschrikkelijke ernst. Over die kolossale ernst wil ik niet grappig doen – in die notities waait de woede over de wereldoorlog.

Maar zo nu en dan verliest Adorno zich op briljante wijze in ijzeren consequentheid. Bijvoorbeeld in zijn bladzijden over de satire. In mijn Prisma-uitgave, vertaling Maurits Mok – zeer onlangs verscheen een nieuwe vertaling, maar die heb ik niet in de kast staan – , is het hoofdstukje 134, onder de titel ‘Juvenalis’ vergissing’. Het eindigt met de vaststelling dat tegenover ‘de bloedige ernst van de totale maatschappij’ – is ‘totaal’ hier een eufemisme voor ‘totalitair’ – slechts bloedige ernst past.

Het onverwoestbaar thema van de satire is het verval der tijden, noteert Adorno. Het oudere keerde zich zo tegen het nieuwe. De satire heeft het traditioneel gehouden met de sterkeren en machthebbers.

De satire is blind voor de krachten die bij het bespotte vervalsproces vrijkomen. Met satire wordt het slachtoffer gehoond.

Mij dunkt: wat vaak zo is, is niet altijd zo. Soms is satire ook moedig, soms inspireren oude tijden tot vernieuwing. Waarom zijn schrijvers van satiren zo vaak het mikpunt van heersers?

Adorno heeft evenmin veel waardering voor de satire van vroeger: wat eenmaal als een floret gehanteerd is, presenteert zich aan de latergeborenen ‘doorgaans als een plompe knuppel’.

In die observatie steekt, vrees ik, wel de nodige waarheid. De satire van Weyerman – en misschien geldt dat ook wel voor Juvenalis – treft nu, eeuwen later, nog maar zelden doel.

Al vind ik het wel van een zekere dwarse strijdvaardigheid getuigen om in die knuppel een floret te blijven zien, al was het maar om op de gezichten van de slachtoffers en machthebbers van weleer de striemen te zien die wijzen op een aanval met de floret. De knuppel was het wapen van Woutertje Duivelsterk die onder het bed van Weyerman lag en hem opwachtte om hem in elkaar te meppen. —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *