Autonomie als fictie

donderdag 27 juli 2017 – Recentelijk veroorzaakte cabaretier Micha Wertheim een bescheiden relletje in de Nederlandse media met zijn pleidooi voor kunst als ‘safe space’, de fictie als een vrijplaats waar nep een deugd is en nutteloosheid voorop staat. Met name Volkskrant-columnist Hassan Bahara viel Wertheim fel aan. Hij vond dat de kunst zichzelf zo willens en wetens overbodig maakt.

Voor wie enigszins vertrouwd is met de kunst en literatuur van voor 1800 komt dit soort discussies vaak wat surreëel over. Toen vormde de spreuk utile dulci immers het alfa en omega van iedere vorm van kunst. Kunst en fictie dienden zo per definitie een maatschappelijk doel, al was dat doel dan misschien soms een plichtmatige bijkomstigheid. Van autonome kunst had nog nooit iemand gehoord.

Een bewustzijn van het functioneren van culturele uitingen in de periode vóór de introductie van het ideaal van l’art pour l’art (doorgaans gesitueerd in het Frankrijk van begin negentiende eeuw) kan helpen om de discussie rondom Wertheims betoog beter te snappen.

Want wie heeft hier nu eigenlijk gelijk?

Wertheims ideeën over de kunst als vrijplaats gaan terug op de Romantiek, maar raken tevens aan een kijk op kunst en literatuur die met name rond het midden van de twintigste eeuw populair was, de zogenaamde autonomistische benadering. Die benadering, internationaal groot geworden dankzij het handboek Theory of Literature (1948) van René Wellek en Austin Warren, en in Nederland vooral bekend via de ‘Utrechtse school’ van A.L. Sötemann en het tijdschrift Merlyn (1962-1966), zag literatuur als een in zichzelf gesloten geheel, een autonoom domein met een eigen interne structuur en logica. Interpretaties op basis van biografische of contextuele gegevens waren uit den boze.

Enige jaren terug werd deze autonomistische benadering, althans voor wat betreft de Nederlandse situatie, op prikkelende wijze geherinterpreteerd door literatuurwetenschapper Laurens Ham. Zijn dissertatie Door Prometheus geboeid (2015) behandelt de autonomie van literatuur, en met name van de literaire auteur, als een cultuurhistorisch fenomeen: een concreet in de tijd te situeren streven van (groepen) schrijvers om autonomie voor zichzelf te creëren en op grond daarvan een zekere autoriteit te claimen.

Voor wat betreft de moderne literatuur (ca. 1830-heden) is Hams benadering vernieuwend en laat ze mooi zien hoezeer de autonomie van de kunst, en daarmee het idee van de fictie als vrijplaats, altijd een constructie is, een vorm van retoriek in feite, die nooit werkelijk gegrond is in de realiteit. Daarmee is Hams these echter nog geen ontkenning van het punt van Wertheim.

Wat cultuuruitingen van alle tijden namelijk met elkaar gemeen hebben, is het vermogen om de lezer of kijker te verwarren. Door het gebruik van onder meer open eindes, metaforen en ironie creëren ze ambivalentie en ontregelen ze het publiek. Dat verleent hen een zekere autonomie, Willem die Madocke maecte net zo goed als Multatuli, en Weyerman evenzeer als Reve.

Tegelijkertijd is kunst óók altijd politiek. Kunstenaars worden gevormd door de wereld waarin ze leven en verhouden zich via hun kunst tot die wereld, bewust of onbewust. In die zin is het idee van kunst als vrijplaats nooit volledig te realiseren. Weyerman had de vrijheid om ironie te gebruiken en zijn lezers met een kluitje het riet in te sturen, maar hij kon niet ongestraft mensen chanteren. Evenzogoed wordt ook vandaag de dag de schrijver die een bepaalde grens overschrijdt daarvoor ter verantwoording geroepen (zie bijv. het geval van Anton Dautzenberg).

Al met al lijkt dan ook vooral de tegenstelling die door Wertheims pleidooi wordt opgeroepen – autonome versus politieke kunst – een fictieve. Kunst is altijd enigszins autonoom en altijd enigszins politiek. Aanvullende belangen, zoals het verdienen van geld of het pleasen van een mecenas of subsidiegever, komen daar nog bij, voor de (semi)professionele kunstenaar althans.

Juist de onderzoeker van de achttiende eeuw ziet dat kluwen aan belangen en kan op grond daarvan een hedendaags debat nuanceren. Als dat geen maatschappelijke relevantie is… —Ivo Nieuwenhuis

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *