Toen er nog geen festivals waren

dinsdag 8 augustus 2017 – De ‘festivalisering’ neemt de laatste jaren hand over hand toe. Er is vrijwel geen weekend meer te vinden waarin er nergens in Nederland een festival plaatsvindt. Vooral steden als Amsterdam en Utrecht hebben het daarbij zwaar te verduren, wat zo af en toe leidt tot de klaagzang van een boze binnenstadbewoner.

Vroeger was natuurlijk alles beter, maar laten we ook niet overdrijven. Want in tegenstelling tot wat sommige niet-kenners nog weleens denken, zat men in voorgaande eeuwen niet slechts somber rond de olielamp naar elkaar te staren en braaf psalmen op te zeggen. Vóór de tijd van De Parade, Best Kept Secret en Lowlands was er al de kermis.

Toegegeven, de kermis was een eens per jaar voorkomend verschijnsel. Ieder dorp en iedere stad had zijn eigen moment. In die zin was de aanwezigheid van grootscheeps vertier toen zeker minder prominent dan nu. Maar vertier was het!

Wie aan de kermis in de achttiende eeuw denkt, denkt aan Lukas Rotgans. Diens Boerekermis uit 1708, een komische beschrijving van een boerenkermis in dichtvorm, is tot in onze tijd bekend gebleven.

Minder bekend is dat Rotgans’ tekst destijds aanleiding gaf tot een heus genre. Na zijn Boerekermis volgden nog diverse andere literaire kermisbeschrijvingen, zoals de Haegse kermis (1710) van Coenraet Droste, een blijspel, en Schildery van de Haagsche kermis (1715) van Jan van Hoven. Deze voorbeelden tonen aan dat de kermis in die tijd een ijkpunt in het jaar vormde, een happening.

Een aantal elementen keert in deze teksten steeds terug, zoals een beschrijving van het seizoen: de winter is voorbij, het is lekker weer. Er is veel volk op de been, van alle rangen en standen. Er wordt flink gegeten en gezopen. Er wordt ook gevochten en (flink) gevreeën. Daarnaast zijn er de attracties: talloze toneeloptredens, vooral kluchten, poppenspel, rarekieks, dieren die hun kunstjes vertonen. En natuurlijk muziek.

De beschrijvingen zijn subjectief, uiteraard. Met name bij Rotgans ontbreekt het moraliserende element niet: zijn gedicht heeft een mild-satirische inslag, hij maakt de bezoekers van de boerenkermis en hun gedrag (een beetje) belachelijk. Dat doet aan het realiteitsgehalte van de teksten evenwel niet veel af. Wie iets belachelijk wil maken, speelt immers in op wat het publiek (her)kent, dus de praktijken zullen ongetwijfeld, zij het dan misschien in iets minder extreme vorm dan beschreven, plaats hebben gevonden.

Zo biedt het genre van de literaire kermisbeschrijvingen een aardig inkijkje in de wereld van het vermaak vóór de opkomst van de entertainmentindustrie, de massacultuur en de festivalisering. En leert het ons dat de neiging tot luidruchtig vertier, die allicht ook toen al voor de nodige overlast zorgde, behoorlijk in de mens zit ingebakken. Iets om in het achterhoofd te houden wanneer de zoveelste feestkaravaan deze zomer langs uw deur trekt. —Ivo Nieuwenhuis

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *