‘De meeste krijgsmacht is vrijpostig’

Liet Willem Haverkorn (1753-1826) zijn huik in Amsterdam naar de wind waaien?

donderdag 3 augustus 2017 – Willem Haverkorn zou geen gek figuur slaan in de revue die Wim Zaal ooit organiseerde in zijn charmante boekje Nooit van gehoord. Haverkorn, huh. Zong Normaal niet een liedje met de titel ‘Hendrik Haverkamp’?

Haverkorn bestond echt. Klaartje Groot wijdde een prachtig boekje aan hem, Willem Haverkorn en de Amsterdamse schouwburg. De Amsterdamse uitgeverij De Buitenkant verzorgde uitgave op onnavolgbare wijze. In het voorwoord, dat de voorzitter van de Stichting Pieter Haverkorn van Rijsewijk bijdroeg, is te lezen dat Willem Haverkorn ‘gedurende de decennia voor en na 1800 een opmerkelijke rol (heeft) gespeeld in het culturele leven van Amsterdam’.

Die rol, of liever: dat rolletje, is door Klaartje Groot nauwkeurig beschreven. In haar boek gaat het vooral om Haverkorns bemoeienis met die Amsterdamse schouwburg. Hij schreef vijf toneelstukken en ontpopte zich als ‘loontrekkend regent’ van de Amsterdamse schouwburg. Zijn toneelstukken baanden in zekere zin de weg naar een positie in het schouwburgbestuur. Als toneelschrijver en als regent moest hij opboksen tegen politiek gemotiveerde verdachtmakingen.

Zijn toneelstukken werden ‘partijdig’ gelezen. In zijn ‘historisch’ toneelstuk De Aanslag op Antwerpen (1780) treden Willem van Oranje, niet de Vijfde maar de Zwijger, en de hertog van Anjou op. Anjou is de man die de aanslag op Antwerpen pleegt. Hij is de slechterik, maar een menselijke. Omdat Willem een belangrijke rol had gespeeld bij de benoeming van Anjou was zijn heroïek niet volledig. Nogal genuanceerd dus.

In Amsterdam werd de portrettering van Anjou gelezen als kritiek op het moderne Frankrijk. En dat was dan weer pro-Engels. Amsterdam was zo sterk op de hand van de Fransen dat dit stuk van Haverkorn niet helemaal goed viel: in 1784 niet en al helemaal niet in 1795. Haverkorn veranderde daarom het zinnetje ‘De fransche krijgsmacht is vrijpostig’ voor de goede orde dan maar in ‘De meeste krijgsmacht is vrijpostig’.

Meer tekstmutaties werden verlangd. Terecht concludeert Klaartje Groot dan ook: ‘Critici en toeschouwers zagen maar al te vaak wat zij wilden zien.’ Het zou onjuist zijn om toneelschrijvers hier slechts als slachtoffers te zien van bijziend lezen. Auteurs maakten ook gebruik van de creativiteit van lezers en kijkers, zij konden meer suggereren dan zij zeiden.

Haverkorn paste zijn teksten aan. Dat was beter dan strikt vasthouden aan de tekst. Ook als schouwburgregent koos hij voor een pragmatische benadering als hij onder vuur kwam te liggen. Het was belangrijk dat hij de Amsterdamse publieke opinie niet tegen zich kreeg. Om die reden jij-bakte hij succesvol toen een groep Amsterdamse acteurs in 1795 een kleine Actie Tomaat ontketende en in een Adres de schouwburgdirectie in revolutionaire termen tot aftreden probeerde te bewegen. De directie wees bij monde van Haverkorn op de geringe heldhaftigheid van die acteurs. Zij hadden na 1787 op het toneel nog vurig de belangen van het Oranjehuis behartigd. Recht van spreken hadden zij niet.

De these van de windvanerij! Met de mooiste zetfout uit het boek schrijft Klaartje Groot dat de acteurs ‘hun huig behoorlijk naar de wind lieten hangen’. Huig? Die huig wil me maar niet uit het hoofd. De wederzijdse beschuldiging van huikhangerij maakte overigens slechts kortstondig indruk. Misschien ook wel omdat iedereen de kost moest blijven verdienen. Haverkorn was behalve schouwburgregent ook makelaar. Als makelaar wist hij dat wendbaarheid een eerste vereiste was. —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Één reactie op ‘De meeste krijgsmacht is vrijpostig’

  1. sjon schreef:

    Speltena!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *