Voetnoot 22

De roodharige kok uit Haarlem

donderdag 17 augustus 2017 – In Den Amsterdamschen Hermes (deel 2, aflevering 43, 20 juli 1723, p. 341) staat het volgende korte verhaal:

Een Sprookje, zynde een Uitbreiding over ’t latyns vaers.
Raro breves humiles vidi, Rufosque fideles.
(dat is)
Zeer zelden zal een kleine Kwant
Deemoedig weezen;
En in de lokken van een Judas Afgezant,
Was nimmer Trouw te leezen.

Eertyts woonde tot Haarlem een Waard, of anders een Kok, die zo roshaerig was als de Koe van Myron, en wiens Dochter meêr Vosse-sproeten had op haar voorhooft, dan een pronkende Paauw oogen voert in haar opgeheeven staart. Een Deensche Weever, die vry hooger gekoleurt was dan een voering van Eekhoorntjes vellen, kwam te logeeren by dien Hospes, en uit vrees voor de avond-dieven van het Spaaren, betrouwde hy zyn Altonas Erfdeel van sestig Daalders, aan dien dagdief van een Poulle fricassê. Maar naauwlyks was den Waard, een half uur lang, in de bezitting van die schat geweest, of den Deen eischte zyn toevertrouwde penningen weerom. En waarom worden die Viskoopers zilverlingen, zo schielyk, opgeeischt (vroeg den Hospes) of denk je dat ik een Dief ben? Dat kan ik niet bewyzen, (repliceerde de Weever) maar ik betrouw geen Man die ros gehaert is. Ha ha! dat is applicabel op je zelven, Rood Vos, (schreeuwde de Waard) want je bent zo blond als het buitenste van een turksche roos. Dat is waar (herhaalde de schabbige Deen) maar uit myn Neiging, gis ik uw Imborst.

Bij zo’n verhaal vraag ik me altijd af: hoe komt Weyerman hieraan?

Heeft hij het uit de eerste hand vernomen tijdens een bezoek aan de herberg in Haarlem, of heeft iemand het hem verteld, naar aanleiding van aflevering 37, waarin Weyerman ook al schreef over mensen met rood haar?

Geen van beide.

Het verhaal begint met een Latijns vers en toen ik dat in Google intikte, kwam ik bij een Duitse studie, getiteld: Haarfarben. Eine Kulturgeschichte in Europa seit der Antike, geschreven door Ralf Junkerjürgen.

Al eeuwenlang wordt er gespot met mensen met rood haar. Junkerjürgen vond drie grappen in de Facetiae (1508) van de humanist Heinrich Bebel (1472-1518). Hij citeert er één: Facetia de quodam viatore rufo et caupone en vertaalt de Latijnse tekst in het Duits.

Facetie über einen rothaarigen Reisenden und einen Wirt
Es war ein rothaariger Wirt, bei dem ein noch viel rothaariger Reisender einkehrte und zwanzig Goldstücke hinterlegte, die er kurz darauf zurückfordete.

Enzovoort.

Conclusie
Het is heel goed mogelijk dat er in Weyermans tijd in Haarlem een roodharige kok werkte, die een sproetige dochter had, maar dat weet ik niet. Weyerman ontleent de plot van het verhaal aan Bebel (1) en vertelt het opnieuw in zijn eigen bloemrijke stijl. —Jan Bruggeman

(1) Van het werk van Bebel verscheen in 1651 nog een uitgave te Amsterdam: Nicodemi Frischlini Balingensis Facetiæ selectiores: quibus ob argumenti similitudinem accesserunt.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.