Apell’ en Apoll’

Staring en twee maal Van Dijk

Jacob van Dijk, verm. door Aert Schouman (collectie Rijksmuseum)

zaterdag 19 augustus 2017 – Eén van de interessantste auteurs van de late achttiende en vroege negentiende eeuw is A.C.W. Staring (1767-1840). De revolutionaire decennia van de achttiende eeuw lieten hem ogenschijnlijk zonder littekens of kleerscheuren ontsnappen, in de negentiende eeuw trok hij zich terug in Vorden, op de Wildenborg. Staring was er, zo op het oog, steeds niet als het ergens om ging. Hij blééf al die jaren onafgebroken, ofschoon niet maniakaal, schrijven en publiceren. Zo hoorde hij er steeds wel en niet bij.

Staring is de voorbije eeuwen niet stiefmoederlijk behandeld door onderzoekers. Aan deelonderzoek en artikelen over zijn vormingsjaren (1784-1789), zijn landbouwactiviteiten enz. geen gebrek, maar is er een omvattende biografie? Nog geen tien jaar geleden schreef Bert Scova Righini een monografie, waarover Jan Blokker geamuseerd opmerkte dat in het levensverhaal de literatuur vrijwel ontbrak. Dwarskop Blokker leek het de biograaf als een pluspunt aan te rekenen.

Zoals het onjuist is om het privé en zakelijk leven van schrijvers in de biografie te negeren, is het onjuister nog om het scheppend werk te veronachtzamen. Staring wordt niet in de eerste plaats herinnerd vanwege zijn landbouwkundig werk, maar vanwege zijn gedichten.
In die biografie zou Starings hoofdneiging tot afzijdigheid en zijn daarmee strijdig verlangen er schrijvenderwijs toch bij te willen horen een belangrijk thema zijn. Opmerkelijk is ook de regie die hij over zijn eigen werk voerde en de postume indikking van zijn oeuvre in Verzamelde gedichten.

Een goede, evenwichtige biografie van Staring is er niet. Een betrouwbare bibliografie evenmin: weliswaar droeg de onvolprezen Georg Hartong een primaire en secundaire bibliografie bij aan een Staring-bundel uit 1990, maar die kan zonder veel inspanning aangevuld worden. Toen ik me een tijdje geleden verdiepte in het gedicht ‘De hoofdige boer’ trof me de volledige afwezigheid van eerdere interpretaties. Veel meer dan kwalificaties van het type ‘geestig’ en ‘puntig’ kom je niet tegen.

Soms word ik heel even bezocht door de gedachte om daar verandering in te brengen. Tussen de bedrijven door vroeg ik vorige week in de KB enkele Staring-titels aan. Onder andere zijn bundel Dichtoeffening (Zutphen 1791) en daarin kwam ik twee bekenden tegen, die verrassend genoeg aan elkaar gekoppeld waren in het navolgend distichon:

Antonij van Dijk en Jacob van Dijk

Dezelfde naam – maar een verscheiden rol
Zet Genen naast Apell’ en Dezen naast Apoll’!
– 89

Toontje van Dijck, Antwerps schilder en leerling van Rubens, is befaamd genoeg, maar Jacob? De baggerman uit Vlaardingen die in 1783 beroemd werd in Den Haag, in het genootschap Kunstliefde Spaart Geen Vlijt. Omstreeks die jaren werd ook de jonge Staring door Kunstliefde welkom geheten. Van Dijk als natuurtalent en Staring als wonderkind. Beiden werden geportretteerd door Benjamin Bolomey.

Het gedichtje van Staring is blijkens het onderschrift van 1789. Van Dijk had zich in de tussenliggende jaren onmogelijk gemaakt door eigenwijsheid en patriottisme.
Dat Van Dijck een plaatsje verdiende naast Apelles, de grootste schilder van de Oudheid, dat is dan nog wel verdedigbaar. Maar Jacob van Dijk naast Apollo? Was Staring serieus of spotte hij met de lof die Jacob van Dijk toeviel? Serieus, misschien niet helemaal, maar spot zeker niet. Zo ‘op de man’ speelde Staring doorgaans niet.

Of liet Staring zich door de overeenkomende achternamen verleiden tot een zekere moppigheid die weinig kostte en weinig kwaad deed? Dat lijkt me waarschijnlijker.
Het Van Dijk-distichon werd niet opgenomen in de Verzamelde gedichten, maar plaatst de Staring-onderzoeker voor een interessant probleem. Hopelijk staat die of staan die Staring-onderzoekers binnenkort voorzichtig op. —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

3 reacties op Apell’ en Apoll’

  1. Jan Postma schreef:

    Nu attendeer ik je toch nog maar even op mijn bijdrage van 23 mei jl. op deze site over het complexe beeld van Staring die je blijkbaar gemist hebt, Peter.

  2. Peter Altena schreef:

    Je hebt gelijk, Jan. Ik schreef overigens ‘zo op het oog’, waarmee ik ruimte liet voor nuancering. Die is er nu. Je typering van Staring als ‘conservatief’ lijkt in lijn met zijn sympathie voor ‘de hoofdige boer’, de koppige Geldersman die met zijn rug naar de vooruitgang staat.
    Wat aardig nieuws, dat Staring-Museum. Ik zag ook een Staring-website, dankzij de Merkwaardigpagina, maar de informatie daar is nogal vlakjes.

  3. Jan Postma schreef:

    Staring was er politiek gezien steeds niet als het ergens om ging, schrijft Peter Altena. In elk geval was hij er wel als het om de landbouwbelangen van de Achterhoek ging. In oktober 1808 stuurde hij koning Lodewijk Napoleon een uitvoerige memorie met felle kritiek op de belastingen van minister Gogel die Staring desastreus achtte. Met zijn conservatieve afkeer van radicale veranderingen en zijn kritiek op de Hollandse ‘overheersing’ was hij ook politiek wel degelijk interessant. Met Altena hoop ik dat in de toekomst meer onderzoek naar deze veelzijdige man zal worden gedaan. Hopelijk gaat er een stimulans uit van de vestiging van het Staring-museum in Almen dat 2 december zijn deuren voor het publiek opent.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *