De orang outan van Knigge

Van der Schaaff, de apen en de Franse Revolutie

Adolph Freiherr Knigge (1752-1796)

donderdag 8 februari 2018 – De negentiende eeuw was de halvering nabij, maar de geest van de Franse Revolutie waarde nog onverminderd in Nederland. Mr J.H. van der Schaaff greep een prijsvraag van de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen aan om met ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ af te rekenen. De vraag luidde in 1843: ‘Welk is het karakter der hedendaagsche Philanthropie? hoe heeft deze in den laatsten tijd zich ontwikkeld? en welke gevolgen zijn daarvan voor de menschheid te wachten?’

Van der Schaaf was de enige inzender, maar zijn inzending werd de bekroning niet waardig geacht. Vermoedelijk hadden voor de Hollandsche Maatschappij de idealen van de Verlichting niet afgedaan. Van der Schaaf zinspeelde daarop in de inleiding van de boekuitgave, die hij in 1846 liet verschijnen, toen hij zei dat hij zich met zijn Proeve in de strijd met de geest van de tijd begaf. Een duidelijke verwijzing naar de romantisch-reactionaire Bezwaaren van mr Isaac da Costa.

Vrijheid was volgens hem bandeloosheid geworden, broederschap had zich ontwikkeld tot een heropvoering van de strijd tussen Kaïn en Abel. Aan het slot van zijn betoog citeerde hij Over de Verkering van Menschen (1789) van Knigge (Freiherr), die een kleine dystopie ontwierp:

welhaast zullen wij die edele, beminnelijke menscheneeter broederlijk omhelzen en aan onze borst drukken; en, bijaldien deze onderlinge genegenheid nog maar een weinig verder uitgebreid wordt, zal men ons eindelijk ook nog met den vernuftigen orang-outan hand aan hand, door deze vallei des levens, zien henen wandelen. Welhaast worden alle ketenen verbroken, en alle onze vooróórdeelen zullen nu wel ras verdwijnen. Ik behoef diensvolgens niet langer de schulden van mijnen vader te betalen; ik zal niet noodig hebben mij met éénen huisvrouw te behelpen; en het slot, dat voor de geldkist van mijnen buurman hangt, zal mij dan niet hinderlijk zijn, om van mijn aangeboren regt op dat goud, hetwelk de moederlijke aarde ons allen toereikt, gebruik te maken?” Zoo dacht en schreef VON KNIGGE reeds in het jaar 1789.

En Van der Schaaf dacht dat in 1846 dus ook.

Die ‘vernuftige aap’ – in nabijheid van de dreigende polygamie – leidde me naar Schasz’ Reize. Is het ‘apenland’ het land dat na de ontwrichtende revolutie ontstaat? —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.