Onophoudelijk in opspraak

Raadsels bij het slijmspoor van broodschrijver Philippus Verbrugge (1750-1806)

dinsdag 20 februari 2018 – In de afgelopen jaren heeft de literatuurhistoricus Pieter van Wissing meer dan eens de aandacht gevestigd op Philippus Verbrugge, de omstreden verdediger van de stadhouder. In januari van dit jaar verscheen dan bij Verloren Van Wissings monografie over Verbrugge. Onder de smaakmakende titel: In louche gezelschap. Leven en werk van broodschrijver Philippus Verbrugge 1750-1806.

Op de laatste bladzijden van zijn boek erkent Van Wissing nog steeds niet te weten of Verbrugge wel een biografie verdiende. Dankzij het boek dat nu verschenen is, kan die vraag nu ook door de lezer, op goede gronden, gesteld worden, maar dat ook de biograaf zich dit afvraagt, geeft in elk geval te denken.

Waarom was het boek over Verbrugge de moeite van het schrijven en de moeite van het lezen waard?

Enerverend zijn de bladzijden over de turbulente jaren van Verbrugge als dominee in Koedijk. In 1777 belandt het soldatenkind, dat in Deventer werd uitverkoren om met een beurs in Leiden theologie te studeren, als dominee in een Noordhollands kerkdorp. Al snel gaat het mis: hij ontwikkelt onmin met de lokale gebruiken, dreigt met hel en verdoemenis en wordt uiteindelijk zelf het slachtoffer. Hij vecht de strijd uit met de classis, de synode en de Staten en als er één indruk ontstaat, is dat van een man met een gelijk dat zo groot is dat ieder compromis door hem als een nederlaag wordt ervaren. In de Koedijk-battle gedraagt hij zich als een Michael Kohlhaas (Hienrich von Kleist), al ontbreekt het Verbrugge aan heroïek. Een mooie carrière in de knop gebroken, dat wel.

In Delft, in 1781, begint zijn broodschrijverschap. Aanvankelijk heeft hij het gemunt op de dikke hertog, de adviseur van de stadhouder. Maar al snel verandert hij van koers en voegt hij zich in het koortje van prinsgezinde propagandisten. Van Wissing brengt de lijntjes tussen de stadhouder en de broodschrijver scherp in beeld. Al snel komt Verbrugge in moeilijkheden. Steen des aanstoots is nummer 81 van De Post naar den Neder-Rhijn, dat in juni 1783 verscheen. De stadsbesturen van Gouda, Den Haag, Leiden en Rotterdam ontploffen van woede. In het vervolg wordt niet duidelijk wat er nu zo verkeerd en onrustbarend aan nummer 81 was. De kopij, die ten grondslag lag aan de tekst van nummer 81, komt ter tafel en Verbrugge laat zien dat hij zelfs een mogelijk aanstootgevende komma uiteindelijk verwijderd heeft.

Van Wissing schrijft dat hij nauwelijks begrijpen kan dat van aflevering 81 een strafbaar feit gemaakt werd. Een strafbaar feit dat Verbrugge bekocht met maandenlange detentie, zonder een duidelijke aanklacht. De heetste strafpleiter van die dagen, mr Willem Bilderdijk, nam het voor Verbrugge op. Bilderdijk kreeg het niet voor elkaar Verbrugge vrij te krijgen. Erger nog: hij ging zich na verloop van tijd zo aan Verbrugge ergeren dat hij de verdediging opgaf.

Ook in latere publicaties van Verbrugge is voor lezers van nu met geen mogelijkheid te lezen wat zijn tijdgenoten erin lazen. Haast onafwendbaar volgde op publicatie ergernis, beschuldigingen, gevangenschap en bestraffing, maar het waarom van al die woede laat zich lastig bepalen. Ja, hoe hij in Koedijk ziekte en zich bekwaamde in zuigen, dat laat zich nauwkeurig volgen.

Op een bepaald moment, aan het einde van zijn boek, voegt Van Wissing zich in het koor van critici van Verbrugge: ‘Dwarsliggerij kleeft aan Verbrugge als een slijmspoor aan een slak’ (p. 208), zo noteert Van Wissing beeldend.

Misschien stond er in nummer 81 van De Post naar den Neder-Rhijn helemaal niets wat naar de letter niet deugde. Dát Verbrugge het nu al maanden opnam voor de stadhouder en zich niet hield aan de ‘goede patriotse smaak’, was misschien erg genoeg. Verbrugge wás een strafbaar feit. Echt bewijs was overbodig. Zijn naam werd een merknaam, zoals ook Berkheij, Van Goens en Bilderdijk namen waren van het merk Oranje. Verbrugge en de drie anderen lieten zich meer dan eens gaan in drift, dat bijproduct van machteloosheid. Alleen al hun adem stonk. In kringen rond de stadhouder had men snel in de gaten dat de verdedigers van de prins zelf mikpunt werden, haatobjecten werden. Wilde Oranje niet zelf nog meer voorwerp van haat worden, dan moest snel afstand genomen worden van de door Oranje betaalde broodschrijvers.

Van Wissing schrijft op bladzijde 90 over het overwicht van de patriotse bladen. Dat was zo groot dat in de jaren dat opruiende geschriften verboden waren, de patriotse Post van den Neder-Rhijn kon aandringen op een verbod van een pamflet van Berkheij en De Post naar den Neder-Rhijn. De vrijheid die voor de patriotten vanzelf sprak, werd de prinsgezinden onthouden. Ook in die jaren was waar wat Raymond Aron in de revolutiedagen in Parijs over zichzelf en Sartre schreef dat het beter was om ongelijk te hebben met Sartre dan te delen in het gelijk van Aron: ‘Plutôt avoir tort avec Sartre que raison avec Aron’.

Met zijn boek over Verbrugge heeft Van Wissing een verzonken broodschrijver een stem gegeven en een benarde levensgang opgehelderd. Rond Verbrugge blijven wel enkele raadsels bestaan, raadsels die naar mijn idee het beste opgelost worden door de verwante raadsels rondom Berkheij, Van Goens en Bilderdijk in de beschouwing te betrekken. —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.