Voetnoot 44

Weyerman en de heilige Benedictus

woensdag 14 maart 2017 – Jacob Campo Weyerman gebruikte veel teksten van anderen voor zijn periodieken. Momenteel probeer ik alle signaleringen in kaart te brengen van bewerkingen van andermans teksten in Weyermans werk.

In dat kader heb ik onlangs weer eens de uitgave ter hand genomen van de eerste acht nummers van Den Amsterdamschen Hermes I die Riet Hoogma en Mandy Ruthenkolk in 1996 publiceerden.1 Die uitgave is uitstekend geannoteerd, maar zelfs na zo’n uitgebreid commentaar blijft er aan het werk van Weyerman nog wel iets te kluiven over.

Ik bleef hangen bij het tweede nummer, van 7 oktober 1721. Daar is nieuws uit Rome voor Weyerman de aanleiding om een en ander te schrijven over Benedictijnen en de stichter van hun orde, Benedictus. Op p. 15 schrijft hij: 

St. Benedictus, de instelder der Benedictijnen, is een Italiaan, gebooren in ’t jaar 480. Zyne Monnikken zyn gebaakert in lange swarte narrenkappen, en de Mannenkloosters gelyken eerder na Paleizen, dan na byeenwooningen van Conventkleppers. Men zegt dat Totila, Koning der Oostergotten, by de neus gevat door de mostaartreuk van Benedictus heiligheid, hem op den Berg Cassinus kwam bezoeken, en dat hy, gelyk Argus, wanneer hy incognito den Zaatwinkel van de Bloemmarkt voorby sluipt, in eene schraale vagt gedeguiseert was; doch dat de Sant hem aanstonds, aan een moerasreuk, die de Gotten eigen is, ontdekte. De Schryver voegt ‘er nog by; dat de Heilig hem voorzei, hoe hy nog negen jaaren (oneven getal liegt best) moest domineren, eêr hy eenige pieken diep, om zyn schuldboek met Rhadamantus te vereffenen, zou nederdaalen.
Die Paapen hadden ook privilegie (volgens Bruschius) om geld te moogen slaan; derhalve zegt Petrus de Aliaco zeer aardig: Diligenti emendatione opus est, quod Religiosi plus sunt Officiales *Fisci quam Christi.
* Fiscus is eene mande, waar in de Oude de grooter zommen gelds, die ze Fisci noemden, bewaarden. Hier van worden d’openbare schatkisten Fisci genoemt.

Zo’n reeks feiten en de verwijzingen naar andere auteurs doen vermoeden dat Weyerman hier een bron (doorgaans uit een andere taal ) gebruikt heeft: de kans dat hij ergens over Bruschius en De Alliaco [= d’Ailly, volgens H&M] en hun uitspraken gelezen heeft, is groter dan dat hij hun werk zelf in handen gehad heeft.

Zo’n bron liet zich niet eenvoudig vinden: het lemma over ‘Benoist (Saint)’ in de Grand Dictionnaire Historique van Moréri, bijvoorbeeld, vertoont onvoldoende overeenkomsten met deze passage om Weyermans voorbeeld te kunnen zijn geweest. Maar: er blijkt wél een werk te zijn dat alle relevante informatie van het jaar 480 tot aan de Fisci in dezelfde volgorde en bewoordingen bevat. Ik vond het Latijnse citaat terug op p. 161 van de Lectionum memorabilium et reconditarum centenarii XVI van Johannes Wolf[ius] (Lauingen 1600), middenin een passage over de Benedictijner orde – volg vooral de link even, voor de fraaie houtsneden in deze editie!

Het citaat is woord voor woord gelijk, terwijl Hoogma en Ruthenkolk in het werk van De Alliaco alleen een parafrase van deze zin konden aanwijzen. Een bladzijde eerder staat de levensbeschrijving van Benedictus, met een aantal opmerkingen over de orde. Daar zijn, keurig in volgorde, de feiten te vinden die Weyerman ook geeft:

Natus fuit Benedictus anno 480 […] Hodie tamen proprij Benedictini utuntur nigro colore tunica laxiore […] celebris fama pervenisset ad aures Regis Ostrogotthorum Totilae: is servili assumta toga ac amictu, & ministro suo regijs vestimentis induto, ad Benedictum, in monasterium ejus, Cassinum se recepit: Benedictus autem Regem ex sapientia sua illicò agnovit […] annunciavit […] Novem regnabis annos […] …

Verder lezend zien we op p. 161 de verwijzingen naar Bruschius en de muntslag:

Et habent quoque (ut Campidonensis) potestatem cudendi monetas. Bruschius de Monasterijs.

Tenslotte, zoals al vermeld, het citaat van De Alliaco, met verwijzing naar die auteur.

Het is heel wel mogelijk dat Weyerman een latere, goedkopere en minder zeldzame druk van deze tekst raadpleegde, zoals de Lectiones Memorabiles et Reconditae (Frankfurt 1671). En misschien haalde Weyerman zijn wijsheid niet direct uit het werk van Wolf maar gebruikte hij een bron die de informatie op zijn beurt uit Wolf gehaald had. Dat Weyerman ‘Aliaco’ maar met één l schreef, en dat hij het woord Fisci toelicht, zou daarop kunnen wijzen. Maar dat Weyermans tekst uiteindelijk op die van Wolf terug gaat, staat voor mij als een paal boven water.

Ter afsluiting wil ik een nuancering aanbrengen bij voetnoot 183 op p. 86 van de uitgave van Hoogma en Ruthenkolk. In die voetnoot staat dat de opmerking over de muntslag niet in werk van Bruschius te traceren was. Tweeëntwintig jaar later zijn de hulpmiddelen zoveel beter dat dat wel lukt:
In Chronoligia Monasteriorum Germaniae van Gaspare Bruschius (Sulzbach 1582) staat op pagina 102 (en niet p. 141, zoals de index stelt) dat een abt het recht van muntslag (monetae cudendae potestatem) gekregen heeft. Dat zal de passage zijn waar Wolf zich op baseerde. —Jac Fuchs

1 Riet Hoogma en Mandy Ruthenkolk, Den Amsterdamschen Hermes I (1722) no. 1-8 (Leiden 1996).

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.