Voetnoot 48

Het paviljoen van Roozemond

William Bell Scott, ‘Fair Rosamund in Her Bower’ (1854)

dinsdag 10 april 2018 – In voetnoot 47 besprak ik hoe Weyerman in Den Ontleeder der Gebreeken de berichtgeving over de grot van Gilmerton in de ’s Gravenhaegse Courant afkraakte. In hetzelfde nummer van Den Ontleeder der Gebreeken (deel I nummer 48 van 4 september 1724) belooft hij om ons passender ondergrondse onderwerpen voor te zetten, en kiest als eerste de grot van Roozemond in Woodstock.

Roozemond was volgens het volksverhaal de maîtresse van koning Hendrik de Tweede van Engeland. Ze hield verblijf in een prieel of paviljoen op het terrein van Woodstock, het landgoed waarop eeuwen later Blenheim Palace zou worden gebouwd. Die plek was goed verborgen, maar Koningin Eleonora wist hem te vinden, en dwong Roozemond om zelfmoord te plegen.

Weyerman zet de overlevering stevig naar zijn hand door er een ‘onderaardsch Priëel’ van te maken en het geheel als ‘Historisch verhaal’ te presenteren. Hij schotelt ons een dialoog voor tussen Hendrik en Roozemond, die Roozemond met een Air afrondt.

Die combinatie van Roozemond en zang geeft te denken. In 1707 werd er, ingegeven door de populariteit van de Italiaanse opera, in Londen een Engelse opera geproduceerd: Rosamond. De opera beleefde maar drie opvoeringen, een flop die te wijten was aan de ongeïnspireerde muziek van Thomas Clayton. Aan het libretto, van Addison, zou het niet gelegen hebben.1

Weyerman vertaalde beslist niet letterlijk uit dat libretto, maar er zijn treffende overeenkomsten. Ik citeer enkele regels:

Hendrik
Ha Roozemond! Myn Ziel vergeet,
De rustelooze Roem, en ’t woedend Oorlogs Heer,
Die staale Zorg, die ’t heil der Vorsten steeds verkracht.

KING
Thus let my weary soul forget,
Restless glory, martial strife,
Anxious pleasures of the great,
And gilded cares of life.

en:

ROOZEMOND.
ô Wellust, ô myn Boezem-Room!
By dag, myn Wensch, by nacht, myn Droom!

ROSAMOND
My Henry is my souls delight,
My wish by day, my dream by night.
[…]

Rotsen en grotten vormen het thema van de hele aflevering: na Roozemond gaat Weyerman verder met een beschrijving van de vondst, in 1653 in Doornik, van het graf van de Merovingische koning Childerik, in een met een rotsblok afgedekte ruimte. Weyerman vertelt niet waarom dat een betere onderwerpskeuze is dan de recente oplevering van Gilmerton Cove, maar de lengte van het verhaal zal Weyerman goed uitgekomen zijn. Het is heel wel mogelijk dat Weyerman het lijvige opgravingsverslag van Jean-Jaques Chifflet gelezen heeft.2

Daarin staat onder meer op pagina 37 te lezen dat de eerste vondsten inderdaad een gouden fibula en meer dan honderd gouden munten waren. Ik kan echter niet uitsluiten dat het verhaal van de ontdekking in een latere publicatie is naverteld, en dat Weyerman het op die manier vernomen heeft.3

Weyerman wil hierna nóg een ‘Beschryving van een Onderaardsche Rots ontginnen’, maar de komst van Daemon voorkomt dat: Daemon vult de laatste bladzijde van deze aflevering van Den Ontleeder met ‘de Doodceel der Gerechten’, een opsomming van gerechten die weinigen zullen overleven. Zo’n lijstje wil bij Weyerman nog wel eens op een buitenlands voorbeeld teruggaan, maar in dit geval heb ik niet zo’n bron gevonden. – Jac Fuchs

1. James Anderson Winn, Queen Anne patroness of arts (Oxford 2014), p. 441-445.
2. Joannes Jacobus Chifletius [=Jean-Jaques Chifflet], Anastasis Childerici I. Francorum Regis, sive thesaurus sepulchralis Tornaci Nerviorum effossus, & Commentario illustratus (Antwerpen 1655).
3. De Grand Dictionaire Historique van Moréri dient in een geval als dit opgeslagen te worden, maar in dat werk kon ik de details die Weyerman geeft niet vinden.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.