Voetnoot 50

Het Engelse motto van de Ontleeder der Gebreeken II nr. 7

Sir Samuel Garth (National Portrait Gallery)

woensdag 2 mei 2018 – De motto’s op tijdschriften van Weyerman zijn meestal Latijnse citaten, maar soms plukt Weyerman een citaat uit een andere taal. Voor de eerste jaargang van Den Ontleeder der Gebreeken (1723-1724) is de verhouding wel heel scheef: 48x Latijn, 2x Grieks, 1x Italiaans en 1x Frans. In de tweede jaargang is er iets meer diversiteit, met 46x Latijn, 3x Engels, 2x Frans en 1x Spaans.

Het eerste Engelse motto staat op aflevering 7 van 27 november 1724:

There is a Lust in Man, no Awe can tame, of Loudly publishing his Neigbours Shame
Dr. Garth.

Samuel Garth (1661-1719) was een succesvol dokter, die lijfarts werd van George I, maar hij is bekender als satiricus. Hij schreef The Dispensary (1699), waarin hij apothekers en medici op de hak nam, en hij was lid van de Kit-Cat Club.

Met bovenstaand motto is iets merkwaardigs aan de hand, en dan bedoel ik niet dat het citaat als één regel werd neergezet, in plaats van als twee versregels. Garth is namelijk niet de auteur van deze regels: Patrick Spedding zocht dat zes jaar geleden uit en plaatste zijn bevindingen op het internet.

Volgens Spedding is de oorspronkelijk versie van het citaat ‘There is a Lust in Man no Charm can tame, Of loudly publishing his Neighbour’s Shame’ en is Stephen Harvey de auteur (al wijzen volgens mij tijdgenoten, waaronder Addison in de Spectator, meestal naar Charles Boyle, Earl of Cork). Volgens Spedding is de enige Engelse publicatie met de verkeerde toeschrijving aan Dr. Garth, de titelpagina van Bath-Intrigues, een werkje uit 1724 (en waar ook weer ‘Awe’ in plaats van ‘Charm’ staat). Weyerman moet dit populaire werkje dus al vrij vlot na het verschijnen in zijn handen hebben gehad.

Eliza Haywood (née Fowler)

Bath-Intrigues bestaat uit vier brieven waarin ene J.B. zijn vriend Will in Londen op de hoogte houdt van allerlei amoureuze verwikkelingen tussen bezoekers van een kuuroord. J.B. is in de eerste twee brieven een moeilijk te duiden toeschouwer, maar in de derde brief blijkt hij overduidelijk een man te zijn, die ook zijn kansen grijpt om vruchten te plukken. Bath-Intrigues is wel toegeschreven aan Delarivier Manley (± 1670-1724), een kortdate schrijfster van romans waarin zij versluierd achterklap over publieke figuren verwerkte, en van damesbladen. Vermoedelijk was echter Eliza Haywood (1693?-1756) de auteur.

De Ontleeder-aflevering bestaat grotendeels uit de beschrijving van een gezelschap in een koffiehuis. De karakters in de aflevering zijn, in overeenstemming met het motto, inderdaad bezig hun naasten op hun plaats te zetten, maar de schetsjes uit het Engelse boekje komen er niet in terug. Ik ga bij het lezen van Weyermans werk wel extra opletten om te zien of een van de intriges op een andere plek opduikt.

Jan Bruggeman wees me op een intrigerend detail. In dezelfde aflevering schrijft Weyerman:

De Waarheyd is zo schoon, gelyk als een Grieksche Venus, roept een Man, die door de Waarheyd wort gekaresseert; en de Waarheyd is zo leelyk gelyk als een Elisa Hottentots! schreeuwt een Vrouw die haar knïen verstuykt over den Rondstok der Waarheyd, en dat is gevaarlyk.

Zou Weyerman geweten hebben dat Eliza Haywood de auteur van de Bath-Intrigues was, en zo op de naam Elisa Hottentots gekomen zijn? Het lijkt me onwaarschijnlijk: Elisa of Lys Hottentots komt vaker bij Weyerman vaker voor, en ook al vóór het verschijnen van Bath-Intrigues.Zo brengt Weyerman mevrouw Hottentots in verband met asperges, zij houdt het met een koetsier, verhuurt een buitenplaats, is ongemanierd, maar is ook douarière en ‘de courantierster en almanaks-santinne van het laag Thessalien’. Meer dan één keer noemt Weyerman haar in één adem met een ‘Hebreeusche Buytenplaats’. De manier waarop Weyerman over Elisa Hottentots schrijft, doet mij vermoeden dat hij een tijdgenote uit de Republiek op de korrel neemt, maar op wie hij doelt, daar heb ik geen idee van. – Jac Fuchs

1. Amsterdamschen Hermes II, p. 29; Ontleeder der Gebreeken I, p. 60, p. 326 en p. 354; Ontleeder der Gebreeken II, p. 20, p. 49 (waar het zojuist gegeven citaat staat), p. 60, p. 197; en Echo des Weerelds II, p. 260. Dank aan Jan Bruggeman voor deze verwijzingen.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.