Het anti-racisme van Petrus Camper

Hoogleraarsportret Petrus Camper (1730) door Tibout Regters

dinsdag 29 mei 2018 – Op 14 november 1764 sprak de befaamde Petrus Camper ‘in den ontleedkonstigen schouwburg te Groningen’ ‘over den oorsprong en de kleur der zwarten’. In het gemis aan zichtbaar experiment – voor een anatomisch theater toch wel een bezwaar – voorzag Camper door over een groot aantal in het openbaar verrichte ontledingen te vertellen. De toehoorders kregen niet één anatomisch les, maar in het voorbijgaan een hele reeks.

De lezers van het tijdschrift De Rhapsodist, waaraan Camper in 1772 de tekst van zijn redevoering bijdroeg, kregen in voetnoten nog een aantal extra secties cadeau. Die extra secties waren verricht in de jaren na 1764 en de resultaten konden mooi mee in de gedrukte editie.

Campers redevoering verdient een grotere bekendheid, zeker nu in Nederland in het debat over de geschiedenis van het vaderlands racisme welbewust wordt afgezien van feiten. In het gunstigste geval worden de beschikbare feiten gekleineerd tot ‘alternatieve’ feiten, incidenteel bewijs of ‘ook maar een visie’. Ongetwijfeld is in het Camper-onderzoek en in het racisme-onderzoek – bijvoorbeeld in het boek van Angelie Sens, ‘Mensaap, heiden, slaaf’. Nederlandse visies op de wereld rond 1800 (2001) – al wel aandacht besteed aan Campers redevoering, maar zijn redevoering verdient een bredere bekendheid. Ja zelfs heruitgave! Het betoog is al wel in het Engels vertaald, door Miriam Claude Meijer, als bijlage in haar Petrus Camper-boek uit 1998 en na enig zoeken ook digitaal beschikbaar, maar in Nederland niets van dat al.

In zijn betoog bestrijdt Camper de in die jaren geldende racistische clichés met een ontroerend geduld en met grote vasthoudendheid. Volgens Herodotus zou het ‘voortteelings vogt’ van Indianen zwart zijn. Nog in 1757 verkondigde Meckel dat het bloed en de hersenen van zwarte mensen zwart zou zijn. Dergelijke opvattingen voorziet Camper van adjectieven als ‘verfoeilijk’, maar bovenal zet hij experiment in:

Ik heb te Amsterdam in den jaare 1758. gelegenheid gehad eenen zwarten Angoleeschen jongen te ontleeden, en het bloed genoegzaam van kleur gevonden als het onze, en de herssenen even wit, indien niet witter.

De veronderstelde gelijkenis tussen negers en de ‘Orang-Outang’ wordt met behulp van dezelfde sectie naar het rijk der kwaadaardige fabelen verwezen. Aan het slot van zijn rijke betoog, veel rijker dan hier kan worden weergegeven, plaatst hij vragenderwijs kanttekeningen bij het morele gehalte van racisten:

Welk een denkbeeld moeten niet de arme Amerikaanen van de witte menschen opgevat hebben, na zoo onverdiend, zoo wreed en barbaarsch van dezelven behandeld te zyn? Zullen zy niet gelooven dat de God van hemel en aarde, die wreedaarts, tot een altoosduurend teken van zynen rechtvaardigen toorn, in wit veranderd heeft?

En in zijn aanval op de witte waan besluit hij met een fantastische omkering, gesteld in een majesteitelijk meervoud (of een Hermandad pluralis: ‘wij gaan toch niet door rood rijden!?’):

Wy zouden allen wenschen zwart te zyn, indien wy deezen blaam van ons, niet alleen als menschen, maar als Christenen, met zulk eene kleurverwisseling konden afwisschen.

Is Camper heilig? Gelukkig niet. In het vervolg van zijn redevoering geeft hij ruimte aan enkele andere vooroordelen – mensen op het platteland zijn lelijker dan die in de stad, Duitsers zijn lelijk en worden na een paar jaar in Amsterdam aantrekkelijk, zij krijgen dan zelfs gekruld haar -, maar dat neemt niet weg dat hij halverwege de achttiende eeuw racisme in de ban deed.

Wat dat betekent? Ongetwijfeld zullen er halverwege de eeuw vaderlanders zijn geweest die Camper niet geloofden of wilden geloven, maar in tijdschriften als De Rhapsodist kregen zij geen stem. Misschien openbaart zich op dit punt een interessant verschil met de tegenwoordige tijd: wie nu maling heeft aan de feiten en nieuw water giet over de oude theezakjes van het racisme kan zijn stem wel verheffen, via de stembus en de sociale media, in voetbalstadions en praatjes bij de bakker.

De ferme Verlichting van Petrus Camper verklaarde in 1770 voor de denkende hoofden van het vaderland racisme tot een taboe. In de onderbuik van het land bleven racisme en raciale stereotypen gewoon bestaan. Dat is, vrees ik, nog steeds zo, dat de onderbuik wat anders voelt dan wat het hoofd weet. Lectuur, heruitgave en heropvoering van de redevoering van Camper kunnen helpen om het hoofd koel te houden. —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.