Willem IV, Weyerman en de wei

Bij de verschijning van Fred Jagtenbergs stadhoudersbiografie

donderdag 7 juni 2018 – Kort voor zijn kroning kreeg Willem-Alexander de vraag voorgelegd waarom hij verkoos om Koning Willem-Alexander te heten en niet Willem IV, zoals hij blijkbaar eerder gezegd had te willen heten. De aanstaande koning gaf enkele plausibele redenen – hij heette nu eenmaal Willem-Alexander – maar besloot met de geestige boutade dat ‘Willem IV bij Bertha 38 in de wei’ staat. In zekere zin brak Willem-Alexander daarmee met de traditie die van stadhouders en koningen ‘one of a kind’ maakte, allen Willem en de enige kerel van het kabinet heette Willemien. Zo zit dat!

Met zijn opmerking veroordeelde hij de naam Willem IV tot die van een koe. Wel een beetje pijnlijk voor al die voorafgaande Willems, in het bijzonder voor Willem IV, de stadhouder. Wat meer respect had Willem-Alexander wel mogen opbrengen voor de Willem wiens belang groot en wiens regeerperiode kort was.

Op 24 mei presenteerde Fred Jagtenberg in Den Haag zijn kolossale Willem IV-biografie. Jagtenberg, bekend van zijn dissertatie over ‘Swift in Nederland’ en van enkele Oranje-bio’s, plaatste met dit Willem IV-boek een kroon op het eigen werk. In Den Haag vertelde uitgever Marc Beerens (Vantilt) hoe Jagtenberg met een haast ijzeren discipline hoofdstuk na hoofdstuk ter uitgeverij kwam afleveren, altijd een kwartier voor de afgesproken tijd. De biograaf belichtte vervolgens leven en belang van de ‘Friese’ stadhouder, waarna Lotte Jensen, aan wie het eerste exemplaar overhandigd was, in haar dankwoord over het wonderjaar 1747 sprak.

Het levensverhaal van Willem IV is niet zo bekend, vrees ik, wat vermoedelijk een gevolg is van de kortstondigheid van zijn stadhouderschap. Na de dood van Willem III in 1702, nazaatloos, liep er even geen Willem IV in de wei; het tweede stadhouderloze tijdperk was daarmee aangebroken. Onze Willem IV verscheen pas in 1711 ten tonele, hij behoorde tot het vorstengeslacht van de Nassaus en liep langzamerhand warm als stadhouder in Friesland. Op die Friese Willem wierpen staatsgezinde regenten blikken van wantrouwen.

In 1747 bleek hoe zeer dat wantrouwen gegrond was. De Franse dreiging in Zeeland en aan de Zuidgrens zorgde voor paniek in het vaderland en die paniek effende de weg voor de Friese stadhouder naar een ‘nationaal stadhouderschap’, dat ook nog eens erfelijk werd verklaard. De Republiek ging in 1747 op een koninkrijk lijken.

In dat jaar van Willems opgang woedde het Doelistenoproer, onder meer in Amsterdam. Of Willem dat oproer naar behoren exploiteerde of de kans op een versterking van de macht liet lopen, daar zal het boek van Jagtenberg ongetwijfeld over inlichten. De 967 bladzijden van de Willem IV-bio heb ik nog niet gelezen, maar er wel in geneusd, stukjes gelezen, me door het register naar interessante bekenden van Willem laten loodsen.

Het opmerkelijkst is bladzijde 313, waar de literator Mr Joan Duncan, vriend van J.J. Mauricius en Pieter de Huybert van Kruiningen en vooral adviseur van de prins, de zaak van Weyerman bepleit. Het is dan 1733, eind september, en de ‘H.r Weijerman’ woont dan in Vianen en is naar verluidt ‘genoodzaakt’ om ‘door zijn penceel (…) zijn bestaan te zoeken’. Blijkbaar hadden Duncan en Weyerman elkaar gesproken en in dat gesprek bood de schilder aan om ‘in de twee nieuwe Vleugels, die aan het Huis in het Bosch’ gemaakt werden, voor het schilderwerk te zorgen. Iets soortgelijks had Weyerman ook al aan ‘den Heer van de Parck’ geschreven, schreef Duncan. Hoewel hij de schilder ontmoedigd had door erop te wijzen dat de prins niet van plan was om veel geld te besteden aan de nieuwbouw voelde hij zich verplicht dit toch aan Willem te berichten. Over dit aanbod in het vervolg geen woord meer.

Het is opmerkelijk dat Weyerman, die in Breda de hofhouding van Willem III voorzichtig en driest naderde, nu andermaal verlossing wacht van de zijde van Oranje. Ook wel treffend is het dat Duncan met geen woord rept over Campo’s reputatie als satiricus. Had dat Duncans missie bij voorbaat kansloos gemaakt?

Dat is te lezen in een prachtig boek, goed geschreven, voorbeeldig gedocumenteerd en overvloedig geïllustreerd. Had ik een radiostem dan zou ik mijn stem in de baritonstand hebben gezet en hebben uitgeroepen: ‘Beste luisteraars, dit boek is een sieraad voor uw boekenkast’. Als ik even de pen van Multatuli mocht lenen, dan zou ik Willem-Alexander, immers doctorandus in de geschiedenis, toespreken en hem oproepen dit boek te lezen.

Eerst maar eens verder lezen. Later meer over Willem IV en de Doelisten, en over de dood van Willem IV, Gerrit Paape en Franciscus Lievens Kersteman. —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.