Voetnoot 61

Den gewilligen kapellaan

dinsdag 24 juli 2018 – Als ik naar een bron van een Weyerman-tekst zoek, neem ik vaak een citaat of naam als uitgangspunt, of ik vertaal enkele woorden in het Engels of Frans en laat Google en ECCO het werk doen. Heb ik eenmaal een bron gevonden dan lees ik die helemaal in de hoop nog een fragment te vinden dat door Weyerman is vertaald. Lukt dat, dan betekent dat niet alleen een nieuwe vondst, maar ook de bevestiging dat Weyerman die bron heeft gebruikt.

Die tweede manier van zoeken gaat wel heel anders. Bij het doorlezen van een bron moet ik een beroep doen op mijn geheugen. Herken ik in de anderstalige tekst een passage uit het oeuvre van Weyerman? Zo is dat tot nu toe altijd gegaan; bronnen werden bij toeval ontdekt. Adèle Nieuweboer las The Tatler en herkende enkele tekstfragmenten en Ton Broos las The London-Spy en kwam passages tegen die hij zich herinnerde al eerder gelezen te hebben bij Weyerman.1

In voetnoot 58 schreef ik over de herkomst van de naam Koekoekspunt. Ik zocht op ‘King John’, ‘miller’, ‘Greenwich’ en ‘cuckold’ en vond al snel twee bronnen uit 1700: Ingenii fructus: or, the Cambridge Jests en A frolick to Horn-fair with a Walk from Cuckold’s-Point thro’ Deptford and Greenwich van Ned Ward.

De eerste is een kluchtboek en kluchtboeken zijn vaak samengesteld uit eerder verschenen publicaties. Van het tweede werk wordt gezegd dat het waarschijnlijk eind 1699 al was verschenen, want in de afleveringen van oktober en november 1699 van The London-Spy werd A frolick to Horn-fair al te koop aangeboden voor zes pence.

Ik heb geen onderzoek gedaan naar krantenadvertenties voor de beide werken, maar ben ze direct gaan lezen.

A frolick to Horn-fair telt slechts zestien pagina’s. Op pagina 4 en 5 vertelt Ned Ward een verhaal over een jong gehuwd stel:

Aan het begin van de huwelijksnacht vertelt de man aan zijn bruid dat hij jaren geleden een trap van een paard heeft gekregen en daardoor impotent is. Hij geeft zijn vrouw toestemming zo nu en dan het bed te delen met de bediende, die voor zijn dienst en discretie geld krijgt.
Op een dag, nadat het echtpaar heeft gedineerd met de kapelaan, krijgt de vrouw zo’n zin in seks dat zij de bediende opzoekt in de wijnkelder. De kapelaan, een zeer dorstig type, besluit na het eten nog wat te drinken te halen. Wanneer hij bij de wijnkelder komt, vindt hij de deur gesloten. De kapelaan vertrouwt het niet en één blik door het sleutelgat maakt hem alles duidelijk.
De geestelijke rent naar de heer des huizes en vertelt hem wat hij heeft gezien. Nu moet de man wel opbiechten dat dit gebeurt met zijn instemming en dat de bediende daarvoor zelfs honderd pond krijgt. Hierop zegt de kapelaan, dat hij het voor de helft van de prijs zou hebben gedaan en dat hij ook nog eens twee keer per dag voor hen zou hebben gebeden.

Ik herinnerde mij dit verhaal gelezen te hebben in het tijdschrift De Doorzigtige Heremyt, aflevering 20 van 7 februari 1727. Het verhaal vormt een onderdeel van de feuilleton ‘De snappende goudbeurs’. Weyerman geeft het verhaal de titel ‘Den gewilligen kapellaan’ en breidt het uit met een lang gedicht, zodat het een hele aflevering vult. Nergens vermeldt Weyerman de naam van de auteur, maar die is nu na bijna driehonderd jaar achterhaald. —Jan Bruggeman

1. Adèle Nieuweboer, ‘De Babbelaar, of een ontdekte goudmijn?’, in: Med JCW 6 (1983), p. 16-19 en Ton Broos, ‘The London spy in Holland, of een Nederlandse spion in Londen: Jacob Campo Weyerman en zijn vertaling van Ned Ward’, in: Med JCW 9 (1986), p. 62-73.

 

 

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.