De bedorven eeuw van Jan Klaasz

Thomas Asselijn en Amsterdam

donderdag 2 augustus 2018 – In Amstelodamum. Maandblad voor de kennis van Amsterdam (jaargang 105, nr 102) is in het april-juninummer een onderhoudend artikel te vinden over de toneelschrijver Thomas Asselijn (1620-1701) en zijn in komisch toneel verwoorde kritiek op de ondeugden van Amsterdam. Het artikel is geschreven door de neerlandica Johanna Ferket. Zij werkt aan een proefschrift over maatschappijkritiek in het 17e-eeuwse komische toneel in de Nederlanden (Universiteit Antwerpen).

Asselijn, op jonge leeftijd uit Frankrijk vertrokken (als lid van een protestantse familie) verbond zich snel met de stad Amsterdam, zijn nieuwe woonplaats. Als jongeman werkte hij als boekbinder, als dertiger stond hij te boek als karmozijnverver en als dichter en toneelschrijver. Als toneelschrijver hield hij zich verre van Nil Volentibus Arduum, toneelwetten waren voor hem ondergeschikt aan de door hem nagestreefde weergave van de werkelijkheid.

In 1682, vier jaar na zijn faillissement als karmozijnverver, debuteerde hij met Jan Klaaz of Gewaande Dienstmaagt. Dat ‘Bly-spel’, wel onderscheiden van de lager aangeschreven ‘klucht’, wekte veel beroering en kreeg van Asselijn enkele vervolgen, die ook weer voor kabaal zorgden.

Johanna Ferket laat zien dat Asselijns stukken de doopsgezinden niet slechts in algemene zin kritiseren, maar in het bijzonder de menniste scheuring, gevolg van de prediking van Galenus Abrahamsz de Haan, betreffen. Pikante, terloops gememoreerde, omstandigheid is dat De Haan met een karmozijnververij begon in het jaar dat Asselijn failliet ging.

De kritiek op de hypocrisie en excessieve rijkdom van de doopsgezinden was stereotype, maar Asselijns kritiek lieten de doopsgezinden zich niet zo maar zeggen. Als schrijver had Asselijn wel het laatste woord: in de voorredes bij herdrukken diende hij zijn critici van repliek. Al lachend zag hij alom bederf.

Ferkets artikel is gebaseerd op bestaande primaire en secundaire literatuur, wat haast vanzelf tot de vraag leidde of er in het Amsterdamse archief nog sporen van Asselijn, diens karmozijnververij (en die van De Haan) en de doopsgezinde scheuring te vinden zijn. —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.