Johanna als Hansje van Kleef

W.J. van Zeggelen gunt Johanna Sebus haar Harmen

vrijdag 23 november 2018 – Een paar maanden geleden wijdde ik een blogje aan de mensenredster Johanna Sebus en de mythe die zich na haar dood van haar meester maakte. Het was vooral aan Goethe en Napoleon te danken dat haar een ‘Nachleben’ gegund werd. De weerklank van de heldin ‘van net over de grens’ in Nederland leek minimaal: zij leende haar naam aan een bloembol, de Antwerpse schilder Van Bree vereeuwigde de heldhaftige scène die haar roem en haar dood betekende, maar het schilderij is zoek.

Ik schreef bij die gelegenheid dat het me niet zou verbazen wanneer zij wel degelijk in Nederlandse almanakken een eervol plaatsje zou innemen. En ja hoor!

Maar eerst dit: onlangs aanvaardde Lotte Jensen in Nijmegen het hoogleraarschap met een oratie over de Nederlandse strijd tegen het water, onder de titel Wij tegen het water. In haar rede liet zij enkele benaderingen van de strijd tegen het water, zoals die in geschriften gestalte kreeg, de revue passeren. Zo bleek er zoiets als ‘disaster studies’ te bestaan. Het was een onderhoudend betoog, dat voor de komende jaren véél beloofde.

Tot mijn grote genoegen schonk Lotte Jensen ook aandacht aan die arme Johanna Sebus. In de gedrukte tekst van de oratie is een prachtige frisse foto opgenomen van het gedenkteken dat in Brienen voor haar is opgericht. Voorts schetste Jensen in het kort het korte leven van Johanna. Zij voegde eraan toe dat ‘in Nederland (…) niemand van dit dappere meisjes gehoord’ had. Ik stond tijdens de oratie op het punt van opstaan, om te zeggen dat dat niet zo was, maar realiseerde me dat ‘niemand’ een hyperbool was.

Wat ik toen niet wist, is dat een vooraanstaande Nederlandse dichter wel degelijk over Johanna Sebus heeft geschreven. Via google had ik dat niet gevonden, maar wel via de weg die me nog altijd het meest plezier doet: bladeren en naar iets zoeken, dat niet vinden, maar wel iets anders.

Zo zocht ik in het werk van de luimige dichter W.J. van Zeggelen (1811-1879) naar een gedicht over Robinson Crusoe. Ik vond het niet in de zevende druk van De Dichtwerken van 1886, die op de titelpagina nog wel bluft dat het hier om een ‘volledige uitgave’ gaat. Moet dus nog verder zoeken, maar vond wel het gedicht ‘Hansje van Kleef’, dat blijkens het onderschrift van 1842 dateerde. In de editie van De Dichtwerken staat er bij de titel van het gedicht een forse nootaanduiding, die duidelijk maakt dat het hier gaat om ‘Johanna Sebes te Cleef bij een watervloed in 1812’.

Van Zeggelen laat Johanna drie jaar later verdrinken dan zij deed. Hij schept in het gedicht, dat als je weet dat je ‘Hansje van Kleef’ zoeken moet via google gemakkelijk te vinden is. In het gedicht, dat tien strofen van zes versregels telt, volgen we een zekere Harmen, die onderweg is en aan zijn geliefde Hansje denkt. Zij hield ook van hem, maar al in de derde strofe onthult de dichter dat er van een weerzien geen sprake gaat zijn:

Want HARMEN, geen pen die zijn lijden beschreef,
Nooit zag hij haar weder, zijn HANSJE VAN KLEEF.

Harmen is wel getuige van een storm die de dijken laat scheuren, een echo van ‘Der Damm zerreißt’ van Goethe? Harmen denkt in de vijfde strofe nog wel aan zijn Hansje, die we in de zesde strofe mogen bewonderen als heldin:

’t Was menschenmin, die haar tot mannenmoed dreef;
Die edele redster was HANSJE VAN KLEEF.

In de strofen die volgen, vindt Hansje de dood en arme Harmen, die jonkman, zijn hart brak.

En vraagt ge, wat lot aan den lijder verbleef? …..
Dra vond hij een graf bij zijn HANSJE VAN KLEEF.

Van Zeggelen had dit gedicht al in 1843 gepubliceerd in Mengelingen van het Letterkundig Genootschap Oefening kweekt kennis. In die Mengelingen ontbreekt de verwijzing naar Johanna Sebus. Was een verwijzing in 1843 nog niet nodig, omdat lezers wel wisten om wie het ging, en verdween dat weten met de voortgang van de tijd? In de versie voor het Haagse genootschap sloot Van Zeggelen wel anders af:

En vraagt men, wat lot aan den lijder verbleef? ….
Men schonk hem een graf bij zijn HANSJE VAN KLEEF.

De verbetering die Van Zeggelen aanbracht, zijn ook écht verbeteringen. Het vinden van dit gedicht heeft me gesterkt in de overtuiging dat er in de Nederlandse literatuur meer te vinden moet zijn over Johanna Sebus. —Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.