Voetnoot 85

Weyerman en de Schilderkonst der Ouden

vrijdag 7 december 2018 – In het werk van Weyerman heeft zijn gebruik van bronnen mijn speciale interesse. Ik ben benieuwd waar hij zijn ideeën vandaan haalde, en hoe hij ze in zijn eigen teksten verwerkte. En zijn de passages die autobiografisch lijken dat werkelijk, of eigent hij zich soms gebeurtenissen van anderen toe?

Een werk dat bij uitstek vraagt om daarop onderzocht te worden is de Levens-beschryvingen der Nederlandsche Konst-schilders en Konst-schilderessen, met een uytbreyding over de schilder-konst der Ouden. Maar aan dat werk kleven enkele problemen. 

Om te beginnen is het bijzonder omvangrijk. In 1729 verschenen de eerste drie delen van in totaal meer dan 1250 pagina’s, de inleidingen en registers niet meegerekend. Het vierde deel, dat pas in 1769 gepubliceerd werd, voegt daar nog eens 577 pagina’s tekst aan toe. En dan ligt er in Brussel nog een handschrift van honderden kantjes. De tekst daarvan is nooit heruitgegeven en dus niet eenvoudig toegankelijk. Van het vierde deel van de Konst-schilders is verder niet direct duidelijk in hoeverre Weyerman het zo bedoeld had: in het voorwoord zegt de uitgever dat hij over Weyermans kopij beschikte, maar stukken tekst geschrapt heeft ‘welke of aanstootelyk waaren, of zaken bevatten die reeds […] elders waren geboekt’.

Ten slotte was van begin af aan duidelijk dat Weyerman voor de eerste drie delen veel materiaal uit De groote Schouburgh der Nederlantsche Konstschilders en Schilderessen van Arnold Houbraken had gehaald. De drie delen van dát werk waren in 1718, 1719 en 1721 verschenen.1 Weyerman zelf deed niet moeilijk over dat hergebruik: in het werk van Houbraken waren de verantwoording van de afbeeldingen en de indeling een rommeltje, en de schrijfstijl van Houbraken haalde het niet bij de zijne. Maar kunsthistorici hechten de meeste waarde aan de eerste bron die zij ter beschikking hebben. En de eerste bron was De groote Schouburgh van Houbraken.

Het is goed mogelijk dat mijn zicht op de vakliteratuur blinde vlekken vertoont. Als ik iemands werk over het hoofd zie, dan bied ik daar alvast mijn excuses voor aan. Maar mijn indruk is dat er nog wel iets toe te voegen valt aan wat er over de Konst-schilders geschreven is.

Hét werk over de Konst-schilders is nog steeds Tussen zwart en ultramarijn van Ton Broos.2 Dat boek is nog steeds heel lezenswaardig en bruikbaar. Het had niet als doelstelling om de aard van de ontledingen in de Konst-schilders te onderzoeken, maar Broos zegt uiteraard wel het nodige over waar Weyerman zijn informatie en zijn opvattingen vandaan haalde. Bovendien geeft hij goede overzichten over o.a. welke dichters Weyerman aanhaalde en hoe de keuze van besproken kunstenaars bij Weyerman verschilde van die van Houbraken.

André Hanou beschreef hoe Weyerman werk maakte van het overlijden van de besproken schilders: een literair procedé waar geen ontlening bij kwam kijken.3 De eerste letterlijke ontlening in de Konst-schilders werd door K. G. Lenstra gesignaleerd: Weyerman nam een passage uit een werk van abt Dubos over.4 In 2016 wezen Sander Karst en Lyckle de Vries ieder een werk aan waarvan Weyerman onmiskenbaar gebruik gemaakt had, maar door de aard van hun publicaties konden ze niet diepgaand ingaan op hóe Weyerman de gevonden bronnen bewerkt had.5 Aan deel 4 van de Konst-schilders, waar de vondst van Sander Karst betrekking op heeft, wil ik later nog een voetnoot wijden. Nu kijk ik naar het eerste deel, waarover het artikel van De Vries ging.

Het eerste deel van de Konst-schilders begint met een inleidend hoofdstuk. Na de opdracht aan prins Willem Karel Hendrik Friso en een ‘nodich voorbericht aan den lezer’ volgt die inleiding, waarin Weyerman allereerst het belang van mecenaat beschrijft. Vervolgens geeft hij een opsomming van schrijvers uit de Oudheid die over kunst geschreven hebben, ‘een Verklaaring van sommige Termen van de Schilderkonst’, en een ‘Uytbreyding over de Schilderkunst der Ouden’. Pas daarna begint hij aan ‘de Schilderkonst der Nederlanders’.

De Uytbreyding, die de pagina’s 31-169 van het eerste deel van de Konst-schilders beslaat, is een vertaling van een deel van boek 35 van de Historia Naturalis van Plinius. De Vries deed onderzoek naar Weyermans opvattingen over kunst aan de hand van de Uytbreyding. Hij constateerde daarbij dat Weyermans tekst een Franse vertaling van het werk van Plinius op de voet volgt. David Durand, die die vertaling gemaakt had, liet op zijn Franse vertaling een uitgebreid van voetnoten voorziene verantwoorde editie van de Latijnse tekst van het bewuste boek 35 van Plinius volgen.6 Maar vóór die Latijnse tekst plaatste hij, aan het eind van zijn Franse vertaling, tussen vierkante haken nog een toevoeging. Die introduceerde hij als volgt:

Pour remplir le grand vuide, qui se trouve dans cette feuille, les Lecteurs ne seront pas fâchez de trouver ici une liste des anciens Auteurs, qui ont écrit de la Peinture, ou des Beaux-Arts. 

En aansluitend geeft hij inderdaad een lijst van acht pagina’s met auteurs uit de Oudheid die geschreven hadden over kunst in het algemeen, of over de schilderkunst in het bijzonder.7

Weyerman nam deze opsomming over in zijn inleiding in deel 1, maar hij plaatste hem direct na zijn opmerkingen over mecenaat. Ik vermoed dat hij dat deed omdat die plaatsing de indruk wekt dat hij veel van deze, zo niet al deze, bronnen bij het schrijven van zijn Uytbreyding geraadpleegd heeft. De inleiding van Weyerman op de lijst is voor zijn doen ongemeen neutraal, mogelijk ingegeven door de bescheiden toon van Durand:

Ik zal den Leezer op deeze plaats een naamlijst geven van alle die oude Schryvers, die over de Schilderkonst en over de Vrije Konsten hebben geschreeven.

Maar ná de lijst kan hij zich toch niet inhouden, en gaat hij verder met:

Hoe bevalt den Leezer die naamlijst? Ik geloof dat de Bejaagers van den Steen der Wijzen geen beter lijst van Schryvers zouden konnen opmonsteren, al was het ook onder de bedryging van hun de smeltkroezen en het kwikzilver de [sic] interdiceeren, materiaalen al ommers zo schadelijk voor de beurs, als een openbaare hoer verderflijk is voor het licghaam.

In een volgende voetnoot zal ik meer ontleningen bespreken die Weyerman in de Konst-schilders verwerkt heeft. – Jac Fuchs

1. Arnold Houbraken, De groote Schouburgh der Nederlantsche Konstschilders en schilderessen (Amsterdam 1718-1721).
2. Ton J. Broos, Tussen zwart en ultramarijn. De levens van schilders beschreven door Jacob Campo Weyerman (1677-1747) (Amsterdam-Atlanta 1990). 
3. A.J. Hanou, ‘Literaire euthanasie. Het leven der schilders in Weyermans Levensbeschryvingen der konstschilders’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 11 (1988), p. 67-75. Dit artikel verscheen eerder in: Ons Erfdeel 29 (1986), p. 743-751.
4. K. G. Lenstra, ‘Aantekeningen bij het werk van Jacob Campo Weyerman’, in: Peter Altena, Willem Hendrikx e.a., Het verlokkend Ooft (Amsterdam 1985), p. 36-62, met name p. 47.
5. Jonathan Bikker, Erik Hinterding, Everhard Korthals Altes en Eddy Schavemaker: “Gij zult niet feestbundelen”. 34 bijdragen voor Peter Hecht (Amsterdam 2016). Hierin: Sander Karst, ‘Nog meer gestolen veren. Weyermans letterdieverij uit een Engelse bron in het vierde deel van zijn Levens-beschryvingen’ (p. 102-110), en Lyckle de Vries, ‘Ancient and early modern art – Pliny and Weyerman’(p. 233-239).
6. Het betreffende werk is: D…. D….. [=David Durand], Histoire de la Peinture ancienne, extraite de l’Hist. Naturelle de Pline, Liv. XXXV (Londen 1725).
7. Durand, Histoire de la Peinture, p. 137. De lijst beslaat p. 137-144.


Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.