‘Geen moderne geestigheid’ en ‘geen Tweede Kamer’: Soera Rana’s ‘Ode aan Robinson Crusoe’

Expeditie Robinson Crusoe (1719-2018) – 5

vrijdag 14 december 2018 – Het geweld van de Tachtigers –  intussen ‘dode witte mannen’, zo las ik ergens met nauw verholen misprijzing – heeft de herinnering weggevaagd aan de dichters die niet behoorden tot de generatie en kring van Kloos. Aan die exercitie in vergeten heeft de Nijmeegse neerlandicus Rob van de Schoor weerwerk geboden met zijn vuistdikke monografie De koekoek werd beroemd … Dichters overstemd door de Tachtigers (2018).

Van de Schoor gunt in die salon van geweigerden een ereplaats aan Soera Rana. Achter dit oosters pseudoniem ging de Haarlemse journalist en leraar Engels Isaac Esser Jr (1845-1920) schuil. In het aan hem gewijde hoofdstuk wordt wel duidelijk hoe deze dichter weggehoond werd door de zo veel hippere jongeren, maar meer nog dat de gedichten van Soera Rana helemaal zo beroerd nog niet waren.

Van de Schoor citeert het gedicht ‘Ode aan Robinson Crusoe’. Het is opgenomen in de bundel Mosaiek, in 1876 in Utrecht uitgebracht door uitgverij J.L. Beijers. Via Boekwinkeltjes wist ik het enige beschikbare exemplaar, een recensie-exemplaar te bemachtigen. Met plezier neem ik het gedicht hier over:

Ode aan Robinson Crusoe.
 
Gelukkig, ô mijn Robinson!
Die, van uw golf gedragen,
Zich op uw eiland redden kon
Uit deze “laatste dagen!”

 
Een geitevel voor laken frak
Gehangen om de leden;
Slechts bloemengeuren voor tabak,
Voor stad en park een Eden;
 
Geen bengelklok, geen stoomgegil,
Noch denderende wagen,
Noch raderen, die, nimmer stil,
In arbeidsholen jagen;
 
Saletgeklap noch Sociëteit,
Noch badstraf van zes wken;
Zelfs geen moderne geestigheid
Noch orthodoxe preêken;
 
Geen Nut of Nanut, waar een bloed
Een reeks van woorden stamer’;
Geen kiezersvolk, geen bladenvloed,
Ô Goôn! geen Tweede Kamer!
 
Gewis, hij waar een Zondagskind
En tot geluk geboren,
Die ’t ruischen slechts van zee en wind
Voor zijn concert mocht hooren,
 
Dien ’t murm’len van een dart’len vliet,
’t Gevogelte in de boomen,
Mocht wieglen met een sluimerlied
In ongestoorde droomen!
 
En zoo soms druksels in het zand
Van wilden hem verhalen . . .
Wij duchten aan ons Noord-zeestrand
Wel and’re kanibalen.

In zijn boek plaatst Van de Schoor enkele verhelderende kanttekeningen bij het gedicht: in het gedicht staat de ‘weinig uitgewerkte’ natuurlijkheid ‘in contrast met moderniteit’. Het gedicht hekelt het moderne barbarisme dat zich vermomd heeft in Nutszaaltjes en de Tweede Kamer. Ziet Soera Rana een eindtijd, ‘laatste dagen’, in het verschiet? In zijn banvloeken weerklinken echo’s van die van Da Costa, decennia hiervoor.

Soera Rana’s ‘ode’ is door Ilja Leonard Pfeijffer opgenomen in diens grote poëziebloemlezing. —Peter Altena (met dank aan Rob van de Schoor)

¶ ‘Expeditie Robinson Crusoe’ verzamelt berichten over Robinson Crusoe, om de zin in het tricentennial 1719-2019 te vergroten. Het dient ook als smaakmaker voor het Jaarboek De Achttiende Eeuw 2019, waarin aandacht wordt besteed aan de roman van Daniel Defoe.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

2 reacties op ‘Geen moderne geestigheid’ en ‘geen Tweede Kamer’: Soera Rana’s ‘Ode aan Robinson Crusoe’

  1. Peter Altena schreef:

    Heb het nog even gecontroleerd. In de bundel Mosaiek staat het toch echt zo: Uit deze “laatste dagen!” Dus uitroepteken en dan aanhalingsteken.

  2. Johan Schipper schreef:

    Ik vind dat tweede uitroepteken binnen de aanhalingstekens een beetje vreemd. Mijn gevoel zegt me dat het de zin moet afsluiten, en niet het citaat. Zo staat het trouwens ook in de Pfeijffer (en die heeft wel meer gekke typefouten). Wat denkt u?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.