Op 25 april 1719 verscheen Robinson Crusoe

Expeditie Robinson Crusoe (1719-2019) – 19

donderdag 25 april 2019 – Het is vandaag precies driehonderd jaar geleden dat Robinson Crusoe op de markt kwam. Het begin van een ongekend succesverhaal.

De geschiedenis van de schipbreukeling raakt gevoelige snaren: het krijgt vervolgen, wordt vertaald, doorverteld, nagevolgd, bewerkt, geïllustreerd en wat al niet. De schrijver, die aanvankelijk zijn naam niet aan het boek hechtte, maakte met dit boek zijn náám: Defoe!

In 1720 al kwam de Nederlandse vertaling uit, bij de Amsterdamse uitgeverij Jan(s)soons van Waesberge. In het begin sprak ‘De Vertaalder tot den Leezer’:

Niemand, die de overzetting van dit Boek te lezen komt, zal zig zyne moeite beklaagen, veel minder verwonderd zyn, dat het zelve in Engeland met zoo veel toejuiching ontfangen is, en zoo veel ingang gevonden heeft, dat daar van in korten tyd een byna ongelooflyk getal Exemplaaren aan de man geholpen zyn, zynde het zelve reets voor de vierde maal ter Drukpers gebragt.

Dat was volgens de anoniem gebleven vertaler dan ook de reden waarom de uitgevers een vertaling wensten uit te geven. Je proeft de opwinding. Die Nederlandse vertaler plunderde overigens tamelijk nauwgezet het voorwoord van de Franse vertaler. De man die Defoe in het Frans vertaalde, was overigens Justus van Effen. Over (de prioriteit, de kwaliteit en het belang van) die Franse vertaling is veel te vinden in de Van Effen-biografie van P.J. Buijnsters.

In zijn inleiding maakt de Nederlandse (en Franse) vertaler vooral veel werk van het waarheidsgehalte en de deugdzaamheid van de roman, die uiteraard geen roman is, maar: ‘een waare Historie, en geen verdigte Roman’. Het ene moment zegt de vertaler dat de lezer zelf maar moet weten of hij het geloven wil – ‘laatende voor het overige aan een ieder zyn vryheit, om daar over na zyn welgevallen te oordeelen’ – , het andere moment, maar dan wel heel vaak, bezweert hij dat het toch echt waar is. Hij kan eigenlijk niet goed begrijpen dat er lezers zijn die kwaad over het boek spreken:

Niettegenstaande dit alles, ontbreken ’er geen Menschen die waanen durven, dat hier iets kwaads, en met de Christelyke Godsdienst strydende verborgen legt, en de Weereld poogen diets te maaken, dat dit verhaal eene verdigte Historie als die der Severambesis.
Maar kan ’er wel ongerymder, of onregtvaardiger vonnis uitgesproken worden? Niets blykt klaarder, dan dat de arme ROBINSON CRUSOE een regtzinnig gevoelen gehad heeft, en altoos een goed Protestant in zyn hart geweest is, (…).’

In de verdediging – dit is niet verzonnen, het deugt, het is niet als het Severambenverhaal – gaat onvrijwillige zelfbeschuldiging schuil. Qui s’excuse … immers! Oh, wat is het verhaal van die Severamben dan wel. Weldra kwamen er meer barstjes in het verdedigingswerk: niet Crusoe was de schrijver, maar de broodschrijver Daniel Defoe. Over hem schrijft W.H. Staverman in zijn Robinson Crusoe in Nederland (1907): ‘Een merkwaardige persoonlijkheid, deze Daniël Defoe. Beurtelings pannenbakker en journalist, nu in de gunst van den Koning, dan aan de kaak gesteld of wegens schulden gegijzeld’. In een anti-Defoe geschrift wordt hij  ‘hosier’ genoemd: dat betekende toen een kousenverkoper en nu een ‘jackass’

In later tijd maakte dat veel lezers niet meer uit: verzonnen of niet, een goed verhaal! Crusoe, een ‘goed Protestant’, och …

In zijn hiervoor genoemde Van Effen-biografie maakt P.J. Buijnsters aannemelijk dat het continentale succes van Robinson Crusoe voor een belangrijk deel op het conto van de Franse vertaler, Justus van Effen, geschoven kan worden. Net als Weyerman maakte Van Effen veel Britse literatuur toegankelijk voor het vasteland, waar de kennis van de Engelse taal nog geen gemeengoed was. Van Effen verfranste Defoe en Swift en gaf het door hem vertaalde werk niet als eigen werk uit, Weyerman deed dat wel. Beide vertalers waren bloemrijker en hadden meer woorden nodig dan het origineel had.

Aan het succes in Nederland heeft de Boekzaal, die in 1721 liefst drie uittreksels – samen goed voor tachtig bladzijden – wijdde aan Robinson Crusoe, belangrijk bijgedragen. Misschien hebben die uittreksels de roman ook wel rijp gemaakt voor de Reformatorische Verlichting van de ‘goede Protestanten’. –Peter Altena

¶ ‘Expeditie Robinson Crusoe’ verzamelt berichten over Robinson Crusoe, om de zin in het tricentennial 1719-2019 te vergroten. Het dient ook als smaakmaker voor het Jaarboek De Achttiende Eeuw 2019, waarin aandacht wordt besteed aan de roman van Daniel Defoe.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.