Voetnoot 108

De beruchte zeerovers Horuch en Cheredin Barbarossa

woensdag 1 mei 2019 – De broers Barbarossa waren zonen van een Turkse pottenbakker en woonden eind vijftiende eeuw op het eiland Lesbos. De naam Barbarossa betekent Roodbaard en is afgeleid van Baba Aruj, de bijnaam van de oudste broer. Later ging Cheredin (ca. 1475-1546/47) deze naam ook dragen.

De broers hielden zich bezig met de kaapvaart en al snel werden zij de leiders van de piraten in de strijd tegen de Spanjaarden. Een kaperkapitein had toestemming om schepen van vijandige landen aan te vallen en hun lading in beslag te nemen.

In 1516 veroverde Horuch Algiers en Tlemcen, maar twee jaar later sneuvelde hij in de strijd. Zijn jongere broer Cheredin nam toen het opperbevel over. Hij erkende Süleyman als zijn heer en in ruil hiervoor kreeg hij militaire ondersteuning. Hij nam het eiland Peñón in en maakte van Algiers het bolwerk van piraterij. Ook veroverde hij Tunis. De Ottomaanse macht op zee groeide enorm. Karel V probeerde steeds met expedities die macht te breken, maar deze hadden weinig succes. Barbarossa wist zelfs Toulon in handen te krijgen en de stad werd voor enige tijd Turks. Cheredin Barbarossa overleed in 1546 of 1547 in Istanboel, waar ook zijn mausoleum staat.

Tunis. De Ottomaanse macht op zee groeide enorm. Karel V probeerde steeds met expedities die macht te breken, maar deze hadden weinig succes. Barbarossa wist zelfs Toulon in handen te krijgen en de stad werd voor enige tijd Turks. Cheredin Barbarossa overleed in 1546 of 1547 in Istanboel, waar ook zijn mausoleum staat.

Zo staat het verhaal over de twee kaperkapiteins in oude bronnen, in Le grand dictionaire (1707) en in onze moderne Wikipedia.

Weyerman vertelt het verhaal ook in Den Vrolyke Tuchtheer (17 april 1730, p. 328-334), maar hij komt met een heel andere versie. Zijn verhaal ‘Horuch, en Cheredin Barberossa’ begint met de volgende lange zin:

Volgens den algemeenen waan der onderstaande *schryvers, zyn die twee befaamde zeeroovers geboortig van Mitylenen, een stad gesticht op het eylant Lesbos aan de Adriatische zee: doch ik zeg, en ik zeg het op wiskonstige bewyzen, die ik altoos zal open leggen voor de nieuwsgierigen, dat Horuch, en Cheredin Barberossa, fransche edelluyden zyn geweest, uyt de adelyke stamhuyzen van Authon en Berneuil, aan welk eerste huys een jonge juffer, genaamt Margareta van Marceuil wiert uytgehuuwelykt, welk adelyk huys is gelegen in Perigort, gelyk als de verdienstige landbeschryvers niet konnen ontkennen.

* Marmol, in zyn vyfde boek. Paulus Jovius, in het drieendartigste boek zyner historien. Leon, in zyn vierde boek. Leunclavius, in zyn achtiende boek der Turksche geschiedenissen. Vigenerus, in het leeven van Soliman den tweede; en du Thou, in het derde boek zyner geschigten, &c.

Weyerman noemt zes auteurs. Het lijkt net alsof hij een diepgaand literatuuronderzoek heeft gedaan, maar volgens mij heeft hij al deze literatuurverwijzingen overgeschreven uit de twee lemmata in Le grand dictionaire van Moréri.

Weyerman vertelt dat de twee broers eigenlijk Franse edellieden waren. Authon verpachtte zijn land en vertrok met de cadet Montsoreau uit het huis van Berneuil naar Mitylenen, dat door de christenen werd belegerd. De jonge avonturiers sloten zich aan bij het leger van Rabastain en verwierven een grote buit. Hierna keerden zij terug naar Frankrijk. Na korte tijd wild geleefd en gefeest te hebben, verkocht de jonge edelman een van zijn landgoederen en vertrok opnieuw met Montsoreau naar Mitylenen. Daar kochten zij een schip en schuimden enkele jaren de Middellandse Zee af. Met een flinke buit keerden zij voor de tweede maal terug naar Frankrijk.

De edelman bezat nog de heerlijkheid Kambes/Combes. Hij liet een nieuw kasteel bouwen, maar toen dat klaar was, was het geld op en besloot hij voor een derde maal af te reizen naar Mitylenen. Hij verkocht zijn land en kasteel en ging weer met zijn kompaan op reis. Ondertussen hadden de Fransen Mitylenen verlaten. De twee mannen wilden niet naar Frankrijk terugkeren, want zij hadden immers hun bezittingen verkocht en meenden met piraterij hun fortuin te kunnen maken. Ze besloten over te stappen naar het Turkse kamp, lieten zich besnijden en namen de namen Horuch en Cheredin Barberossa aan.

Vanaf hier loopt Weyermans verhaal weer gelijk met de andere bronnen.

Eutemi, de koning van Algerije, smeekte Horuch om hulp, maar Horuch wurgde de vorst in zijn bad en riep zichzelf uit tot de nieuwe heerser. Ook versloeg hij de koning van Tunis. Toen Horuch sneuvelde, nam Cheredin Barberossa diens plaats in. Hij leverde menige zeeslag. Aan het einde van zijn leven trok hij zich terug in de buurt van Istanboel, waar hij in 1546/47 stierf.1

Hoe komt Weyerman aan dit verhaal? Verzint hij dit nu, of beschikt hij over een andere bron? Het was even zoeken, maar uiteindelijk vond ik zijn versie in: Memoires de messire Pierre de Bourdeille, seigneur de Brantome. Contenans les vies des hommes illustres & grands capitaines François de son temps (Leiden 1666), p. 157-164.2

Brantôme is echter minder stellig dan Weyerman. Hij schrijft aan het einde van zijn verhaal: ‘Voilà mon conte achevé. Je ne sçay s’il est vray […]’.

Pierre de Brantôme (ca. 1540-1614) was een militair en historicus. Hij was de derde zoon van baron de Bourdeille. Als militair kwam hij in contact met alle grote leiders van zijn tijd. Hij reisde naar Italië, Schotland, waar hij de koningin van Schotland begeleidde, Engeland, Marokko, Spanje en Portugal. Een val van zijn paard maakte een einde aan zijn militaire loopbaan. De laatste jaren van zijn leven besteedde hij aan het schrijven van zijn Memoires.

Conclusie: volgens mij gebruikte Weyerman voor het eerste deel van zijn verhaal de Memoires van Brantôme en ontleende hij het tweede deel aan Le grand dictionaire van Moréri. —Jan Bruggeman

Noten
1. Weyerman had al eerder geschreven over piraterij. In 1724 dichtte hij samen met Robert Hennebo een lofzang op Cornelis Schryver (1687-1768), die in juni van dat jaar een Algerijns kaperschip wist te veroveren: J.C.W.R.H., Helden-zang, ter onsterffelyker lof van den Ed: manhaften heere Cornelis Schryver, zee-hoofdman voor het Ed: Mog: Collegie ter Admiraliteyt binnen Amsterdam. Wegens het neemen van den Algierschen zee-roover De Oranjeboom. Te Amsterdam, by Hendrik Bosch, boekverkoper, over ’t Meysjes Weeshuys, by de Bloem-markt. 1724.
2. Een ander deel van de Memoires waren we al tegengekomen in Voetnoot 95 over Het kluchtspel Het eedgespan der apotheekers.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.