Voetnoot 119

Een dichtkundige proeve van bekwaamheid

dinsdag 2 juli 2019 – Bij mijn vrijwel chronologische tocht door de periodieken van Weyerman ben ik vrij achteloos aan De Ontleeding van den Ontleeder der Gebreeken voorbijgegaan. Van dat tijdschrift verschenen in 1724 vier nummers, van 11 januari tot 22 februari – eens per twee weken.

De auteur maakt zichzelf niet bekend, hij noemt zichzelf alleen de Tegen-Ontleeder. In zijn programmatische eerste aflevering neemt hij zich voor ‘de Gebreeken te ontleeden van den Ontleeder der Gebreeken’. Maar dan wel op een beschaafde manier, want hij heeft respect voor de stijl en de originaliteit van de Ontleeder. Verder heeft hij enorme hoeveelheden stof klaarliggen: aanmerkingen voor geleerden, kleyne Vertellingjes en spitsvinnige Antwoorden voor zijn lezers.

Het tweede nummer bevat een ‘Letterlyk Tweegevecht, tusschen den Tegen-Ontleeder, en den Ontleeder‘: de Tegen-Ontleeder droomt dat de Ontleeder hem bezoekt, wat in een dialoog uitmondt. De Ontleeder daagt de Tegen-Ontleeder uit om een proeve van bekwaamheid af te leggen. De Tegen-Ontleeder antwoordt met een gedicht, De Wanhoop. Daar laat de Tegen-Ontleeder het begin van een dichtkundig en historisch ‘Relaas der Dichters’ op volgen, maar dan ontwaakt hij uit zijn droom. Het nummer eindigt met wat commentaar op krantennieuws.

Het gedicht De Wanhoop trok mijn aandacht. Bij de eerste regels:

Het heugt me, dat ik laast my in een Woud verborg,
Een Woud, door de Natuur geschapen voor myn zorg,
‘k Verspilde, aldaar, myn long in klacht orkaanen, […]

twijfelde ik nog, maar bij de laatste regels van de eerste strofe was de twijfel weg:

Ach heyloos Jongeling! riep ik ô straffe roe!
Ach heyloos Jongeling! riep ik tot tweemaal toe,
Ach heyloos mensch! riep ’t Woud, van roepen nimmer moe

In Voetnoot 41 vertelde Jan Bruggeman, voortbouwend op het onderzoek van Chris van de Wetering, welke bundel we als eerste moeten bekijken als we in de jaren van Den Ontleeder der Gebreeken bij Weyerman een gedicht tegenkomen: The Works of Mr. Abraham Cowley. De eerste strofe van zijn gedicht The Despair luidt:

Beneath this gloomy Shade,
By Nature only form y Sorrows made,
I’ll spend this Voice in Cries,
In Tears I’ll waste these Eyes
By Love so vainly led;
So Lust of Old the Deluge punished.
Ah wretched Youth! said I,
Ah wretched Youth! twice did I sadly cry:
Ah wretched Youth! the Fields and Floods reply.

Er kan weer een Cowley-ontlening aan de lijst van Chris van de Wetering worden toegevoegd. – Jac Fuchs  

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.