Voetnoot 121

Schoonheid in tweevoud

dinsdag 23 juli 2019 – De aanschaf van The Works of Mr. Thomas Brown door Weyerman is zijn geld dubbel en dwars waard geweest.[1] Weyerman heeft de delen keer op keer uit de kast gehaald en zich laten inspireren door de gedichten, toneelstukken, brieven, vertalingen en andere teksten van de Engelse veelschrijver Thomas Brown (1663-1704).

In 1986 schreef Ton Broos al dat Tom Brown, ‘the Prince of Grub Street’, ook een auteur zou kunnen zijn aan wie Weyerman schatplichtig is geweest.[2] Broos had dat goed gezien. Jac Fuchs was de eerste die teksten van Thomas Brown terugvond in het werk van Weyerman. In Den Laplandschen Tovertrommel ontdekte hij dat het gedicht ‘Op het eerste toeval van de voetjicht’ (afl. 3) en de teksten rond de dood van Lucretia (afl. 4 en 5) ontleend zijn aan Thomas Brown.[3]

Nu Jac Fuchs en ik intensief op zoek zijn naar de bronnen die Weyerman voor zijn tijdschriften heeft gebruikt, zijn er al heel wat voetnoten geschreven over teksten die Weyerman haalde uit het uitgebreide oeuvre van Thomas Brown (Voetnoot 63, Voetnoot 64, Voetnoot 66, Voetnoot 68, Voetnoot 71, Voetnoot 73, Voetnoot 74, Voetnoot 75, Voetnoot 76, Voetnoot 78, Voetnoot 79, Voetnoot 81, Voetnoot 94, Voetnoot 95, Voetnoot 96, Voetnoot 107). Deze keer voeg ik daar twee tekstfragmenten aan toe.

Aflevering 28 van Den Echo des Weerelds (deel 2, 28 april 1727, p. 217-224) staat geheel in het teken van de schoonheid. Na een korte inleiding vertelt Weyerman het verhaal van de drie knappe dochters van mevrouw Leelieschoon. De dochters hebben het voornemen nooit te trouwen. Daar krijgen ze kritiek op van jonker Josef Kalfspoot. Mogelijk heeft Weyerman dit verhaal ontleend aan een buitenlandse tekst, maar een bron hebben we nog niet gevonden. 

Hierna volgt de vertelling over een jonge, adellijke dame zonder geld, die tegen haar zin trouwt met een rijke winkelierszoon. Jac Fuchs schreef hierover in Voetnoot 118. De tekst is een bewerking van een karakter van Ned Ward.

Het derde en laatste onderdeel van de aflevering draagt de titel ‘Een korte aanspraak aan de juffers’. Dit is een algemene tekst over de schoonheid. Weyerman vertaalde hiervoor een tekst van Thomas Brown, die afkomstig is uit het tijdschrift The infallible Astrologer: or, Mr. Silvester Partrige’s Prophesie and Predictions of what shall Infallibly happen in, and about the Cities of London and Westminster, for every Day this Week (1700-1701).

Ik zag alleen de eerste drie afleveringen in EEBO. In totaal zijn er achttien nummers verschenen van 16 oktober 1700 tot en met 24 februari 1701. Thomas Brown schreef de nummers 1 tot en met 11; Ned Ward nam de resterende zeven afleveringen voor zijn rekening. Elk nummer bestaat uit slechts één vel aan beide zijden bedrukt.

Enkele afleveringen verschenen onder the titel A comical View of the Transactions that will happen in the Cities of London and Westminsterin A Legacy for the Ladies, London 1705. In het eerste deel van The Works of Mr. Thomas Brown (editie 1720) zijn acht van de elf afleveringen opgenomen. De tekst van ‘Een korte aanspraak aan de juffers’ staat in de zevende aflevering van 3-11 december 1700 op p. 183-184.

Weyerman besluit aflevering 28 van Den Echo des Weerelds met ‘Het Vervolg toekomende Maandag’.

De aflevering daarop (afl. 29, 5 mei 1727, p. 225-232) bevat inderdaad ‘Een Vertoog over de Schoonheyt’. Voor dit vervolg zette Weyerman het deel van Browns werken niet terug in de kast. Hij bewerkte eenvoudig de tekst van de achtste aflevering (11–18 december 1700).

In het vertoog wordt de Schoonheid boven de Welsprekendheid gesteld. Sommige schrijvers willen Schoonheid vergelijken met de Muziek, maar Schoonheid is meer, is juist de moeder van de Muziek, want hoeveel ‘Airtjes en Deuntjes’ worden er wel niet geschreven op de Schoonheid. Maar o wee, als een vrouw haar schoonheid verliest, dan wordt zij

nog minder aangezien by de ondankbaare Stads Minnaars, als de Bloemstukken van Gaspar Pedro Verbruggen aangezien worden by de Konstkenners, ’t zedert dat hy zig heeft bedient van een wyngierige Klopsuster tot een Huyshoudster, en van engelsche Brilglaazen in stee van natuurlyke Oogen.

De vergelijking is uiteraard van Weyerman zelf. Weyerman volgde zijn bron verder op de voet. Voor de laatste twee alinea’s keerde hij weer terug naar de zevende aflevering. Daar vinden we beide alinea’s terug. Weyerman vertaalde deze en veranderde de volgorde. Door heel vernuftig om te springen met de beschikbare teksten creëerde Weyerman zo een nieuw, eigen essay. – Jan Bruggeman


[1] Gelet op de hoeveelheid teksten van Thomas Brown die Jac Fuchs en ik inmiddels hebben teruggevonden, veronderstellen wij dat Weyerman een editie van de verzamelde werken in zijn bezit heeft gehad.

[2] Ton Broos, ‘The London Spy in Holland, of een Nederlandse spion in London: Jacob Campo Weyerman en zijn vertaling van New [= Ned] Ward’, in: MedJCW 9 (1986) p. 62-73.

[3] Jac Fuchs, ‘Weyermans Laplandschen Tovertrommel(1731): een chantageblaadje?’, in: MedJCW 38 (2015) p. 10-25.
Het gedicht ‘On the first-fit of the gout’ staat in The Remains of Mr. Thomas Brown (Londen 1720, p. 100) en in The Works of Mr. Thomas Brown (1721, deel 5, p. 100). In de zevende editie uit 1730 is het gedicht niet meer opgenomen. De afzonderlijke publicatie van het gedicht (1706) verscheen anoniem. Het gedicht wordt in ECCO toegeschreven aan Elijah Fenton. 

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.